Ze zullen denken dat we engelen zijn – Bert Natter

Direct op de eerste pagina barst het los, de geldwagen die een ravage aanricht. We weten dan nog niets over Alfred, de ik-figuur en de hem onbekende vrouw, maar door middel van zijn schrijfstijl slaagt Bert Natter erin om meteen allerlei vragen over hen op te laten roepen. Wat is Alfred voor een figuur? Wat heeft hij meegemaakt waardoor hij is zoals hij is? Wie is Prunella eigenlijk? Intrigerend, en vanaf de eerste regel zit ik helemaal in het verhaal. Een verhaal dat eigenlijk niet een duidelijk begin heeft, een soort nul-punt, en ook geen eind, niet de gewenste afronding, waarna je als lezer tevreden achteroverleunt.

Nee, je stapt erin als in een trein die al een traject achter de rug heeft, je verlaat het verhaal terwijl de trein nog verder gaat. Want ook de eerste pagina bevat elementen die voorkennis vragen, die je niet hebt.

Ze zullen denken dat we engelen zijn

De laatste mooie dag van het jaar. Op een terras aan een plein midden in de stad zitten een man en een vrouw die elkaar net hebben leren kennen. Met hoge snelheid rijdt een geldwagen in op het winkelende publiek en ramt de gevel van een café even verderop. Een enorme explosie volgt. Als midden op het plein een politiebusje stopt, lijkt het voorbij, maar dan barst de hel pas echt los. Onder een tafeltje wachten de man en de vrouw in elkaars armen op de dood, die niet komt.

Per toeval, door een verschrikkelijke gebeurtenis, zijn Alfred en Prunella bij elkaar gekomen. Er is zeer zeker aantrekkingskracht tussen hen, maar toch kiezen ze ervoor een passant te blijven in elkaars leven. Door de mooie, vloeiende schrijfstijl ga ik mee met Alfred, hoe hij zijn gedachtes uit laat wijden over futiliteiten, terwijl hij eigenlijk met iets heel anders bezig wil zijn. Alsof hij dat zichzelf weigert toe te staan en op deze manier tamelijk gelaten, emotieloos aan het overleven is. Hoe het bij Prunella net andersom lijkt te zijn, en zij zichzelf niet toe wil geven ongelukkig te zijn in haar echte leven. Hoe Alfred slechts fronsend reageert op het feit dat hun herinneringen aan de noodlottige dag van elkaar afwijken. Hij maakt zich niet druk, vooral ook omdat hij geen idee heeft wat er om hem heen aan de hand is en hij op sommige momenten, ook zonder emotie, aan zichzelf twijfelt. Of doet hij alsof?

Heel mooi en levensecht zijn ook de stukken met de kinderen met een beperking die Alfred in zijn bus vervoert. Kinderen waar hij zich ontzettend verantwoordelijk voor voelt. Deze verantwoordelijkheid gaat zelfs verder dan de zorg over zijn eigen lot.

Er zijn wel wat hints hier en daar, als kleine duveltjes uit een doosje, die zouden kunnen gaan onthullen waarom hij met de nek aangekeken wordt, waarom de politie hem verdacht vindt en wat er aan de hand was met zijn vrouw. Maar die worden niet, of op zijn hoogst een béétje, uitgewerkt. Alfred ondergaat zijn lot – zijn ondergang door vooroordelen – en hij doet er niets aan.

De achtergrond is een fictieve stad in Nederland, met een fictieve vrouwelijke, naamloze minister-president, vrouwelijke agenten en vrouwelijke soldaten. Dit haal ik als bij toeval uit de tekst, het wordt niet benadrukt. Het is niet van belang. Ik hou van zo’n schrijfstijl, het houdt je heel alert en veroorzaakt veel glimlachjes in mij.
En oh…. even iets taalkundig en niet op de nare inhoud: ik wordt helemaal gelukkig als ik lees dat Natter schrijft over de ‘dodelijk getroffen slachtoffers’ en niet – wat je altijd overal tegenkomt! – ‘dodelijke slachtoffers’. De slachtoffers zijn niet dodelijk! Zeg dan desnoods ‘gedode slachtoffers’. Maar dit is nog mooier – nog steeds taalkundig!: ‘dodelijk getroffen’….

De tekst op de kaft en flappen is prachtig vormgegeven als een oude houtgravure. Ja, het oog wil ook wat.

Ik blijf zitten met losse eindjes. We weten het nog steeds niet precies. Vragen, zonder antwoorden…..

Uitgeverij Thomas Rap, 2018
288 pagina’s
ISBN 9789400407640

(Visited 11 times, 1 visits today)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *