Buß und Reu

Het is weer Matthäus-tijd. Een rode draad door mijn leven.
En elk jaar weer, tijdens die ene aria, gaan mijn gedachten heel veel jaren terug. Terug naar – wat zal het zijn geweest? – 1976.‘Ik wil zo’n viool op een pootje!’
Tot wanhoop van mijn ouders was dat wat ik elke keer riep tijdens een concertbezoek aan De Doelen in Rotterdam.
Ik was een jaar of negen, tien en werkelijk gefascineerd door dat grote instrument, waarvan ik de naam niet wist. Een viool op een pootje. Onbereikbaar. Onhaalbaar voor mijn ouders. Want ik had al pianoles en er dreigde ook al een fluit aan te komen. En wat kost zo’n grote viool wel niet? Instrumentenverhuur? Nooit van gehoord. Daar deden ze niet nog niet aan in de jaren ’60.
Dus bleef ik bij de piano en de fluit.

Maar bloed kruipt waar het niet gaan kan. Die cello – inmiddels was ik zeventien, de naam van dat magische instrument wist ik – liet me niet los. Ik moest en zou dat leren bespelen, hoe onbereikbaar dat ook leek te zijn.

En op een dag gebeurde het. In het plaatselijke suffertje stond hij te koop. ‘Chinese cello, inclusief hoes en leerboeken: fl. 200,-.’
Dat was het! Ik hoefde daar geen moment over na te denken. Stante pede haalde ik mijn spaarrekening leeg, charterde mijn vader als chauffeur van onze lelijke eend en na een uur stond hij in mijn kamer: een echte cello! Dat hij van triplex was (tja, Chinees), deerde me niet. Onmiddellijk ging ik aan de slag. Ik had genoeg gezien om te weten hoe het moest, dacht ik. Genieten was het. Totaal onbewust van hoe het klonk (‘Die gasten op zo’n ding kunnen toch óók heel zachtjes spelen, hoe dóen ze dat toch?’ hoorde ik mijn vader eens mompelen en met schaamrood probeerde ik de druk op de strijkstok wat meer uit) zat ik uren per dag te oefenen, met het lesboek als hulpmiddel. Heerlijk. Wat een instrument!

Een paar maanden was ik lekker bezig en op een dag kwam de organist van de kerk kwam op mij af met een paar kopietjes die hij onder mijn neus duwde. ‘Buß und Reu‘, las ik. Aria uit de Matthäus, de B.C.-partij.

‘Ik zoek nog een cellist, ‘ zei hij heel vrolijk. ‘Jij speelt toch ook cello? Kun jij dit? Voor volgende week, tijdens de paasdienst in de kerk…’
‘Oh! Ja! Prachtig!’ riep ik uit, want de Matthäus was bij ons thuis vaste prik. Elk jaar draaiden mijn ouders de LP-box en soms gingen we zelfs naar een life-uitvoering.
Niet gehinderd door welke zelfkritiek dan ook stortte ik mij op de basso-continuopartij. Moest kunnen, ik twijfelde geen moment. Lastig, dat wel, ja. Ik zweette peultjes, want het viel niet mee.
Maar wat had ik dan gedacht met toonsoort fis klein op een cello? Als autodidact van luttele maanden? Fis klein! Wiebelig, krakend, bijna niet te doen, op elk (barok) instrument een uitdaging. Overigens niet voor niets door Bach gekozen, want ik zou geen betere toonsoort weten die het karakter van ‘Buß und Reu‘ kan uitdrukken.
Maar ik kreeg het eruit. Het zal niet de fraaiste uitvoering ooit geweest zijn, maar de aandacht van luisteraars ligt toch bij de alt, al helemaal in een kerkdienst. Weten zij veel…..
‘Heb jij nog nooit lésgehad??’ De organisten ook de alt waren verbluft. Pas toen, na afloop, durfde ik dat te melden, gedreven door mijn opluchting en grote voldoening dat het goed gegaan was. ‘Jezelf aangeleerd? Jeetje! Complimenten hoor!’

Het is weer Matthäus-tijd. Een rode draad door mijn leven. Nu alweer 15 jaar in Edam.

En nog steeds: elk jaar weer tijdens ‘Buß und Reu‘ gaan mijn gedachten heel veel jaren terug, naar mijn allereerste keer, in 1976.

(Visited 1 times, 1 visits today)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *