IbisLeBourget

Ibis Le Bourget, meldt het sms’je dat ik van mijn lief op mijn werk krijg. Ibislebourget? In mijn hoofd rijzen vraagtekens. Maar precies op het moment dat ik met mijn vinger al op de send-knop deze vraagtekens in een antwoord terug wil sturen, zie ik het.

Ibis Le Bourget! Mijn gedachten zijn terug bij gisteravond. ‘Kunnen we niet gewoon een weekendje weg of zo?’ stelde Paul voor. Wij zaten op de bank met een boek.

‘Want die auto moet toch een beetje ingereden worden?’ Dat idee sprak mij wel aan natuurlijk en ik legde mijn boek opzij. ‘Waarheen?’ informeerde ik nieuwsgierig.

Mijn lief haalde zijn schouders op. ‘Oh…. Parijs?’ Gelijk zat ik rechtop. Het idee ging mij steeds meer aanspreken.

‘Gewoon,’ vervolgde hij met een olijk glimlachje, ‘vrijdagmiddag weg en zondagavond terug. Of zou dat raar zijn?’

Raar? Welnee. Helemaal niet.

 

Grijnzend wis ik de vraagtekens op mijn schermpje. Want Ibis le Bourget? Een hotel natuurlijk. De vraagtekens maken plaats voor ‘Echt?’ en een minuut later: ‘Je hebt het gedaan! ‘ 

Antwoorden blijven uit, maar daar ben ik wel aan gewend.

‘Dus je hebt wel zin?’ vraagt Paul mij guitig als ik thuiskom. ‘Ja natuurlijk!’ juich ik, ‘het is toch ook goed voor Koert? Of Krat?’

Wel ben ik bij dat na zes weken die sneeuw eindelijk eens weg is. Je ziet de kleuren van het gras weer ongeveer, en de grond veert weer onder je voeten. Een autorit behoort dus wel weer tot de mogelijkheden.

Op de streeftijd (ja!) staan we inderdaad gepakt en gezakt klaar om te vertrekken. Tot mijn verbazing is zelfs Olaf beneden mét tas – voor de jongens is het een venetie-weekend en wij brengen ze even naar oma. Hij trekt zelfs zijn jas al aan; bijna griezelig vind ik dat, omdat we hem meestal zijn kamer uit moeten trékken. Het wachten is alleen nog op Sander, die vandaag eindelijk eens met zijn brommer naar school kon, zonder gevaar in elke bocht onderuit te gaan. Vanwege de brommer verwacht ik hem snel thuis, sneller dan met de fiets. Maar na een half uur is het wachten nog steeds op mijn jongste. Ik word er wat onrustig van. Okee, die brommer start moeilijk, maar die ochtend was het hem ook gelukt. Dus.

Aan de andere kant: is het Olaf ook niet een keer gebeurd dat hij naar huis kon gaan lopen met het ding?

Ik zucht eens diep. Het zal toch niet? Als Sander zijn brommer niet aan de praat heeft gekregen, kan het nog wel een half uur duren voordat hij er is. En ik wil voor de spits weg zijn! Waarom moet hij dan net vandaag met die brommer naar school? vraag ik onredelijk.

Ik probeer zijn mobiel, die ik vervolgens ergens in huis hoor rinkelen. Wat een goed idee, om zo’n ding te hebben voor noodgevallen! Moet je hem alleen wél meenemen.

Op het moment dat ik besluit om maar eens te gaan kijken waar hij blijft (‘Neem jij je mobiel dan wel mee!’ raadt mijn lief me fijntjes aan), hoor ik de voordeur. Daar is het verloren schaap.

‘Waar is je brommer?’ vraag ik direct. ‘En waarom had je je mobiel niet bij je?’

Benauwd kijkt hij me aan. In de schuur,’ zegt hij, en dan verdedigend: ‘Hij startte niet! Ik schaamde me rot, want iedereen keek….’ Natuurlijk ben ik al niet meer boos, ik heb met hem te doen.

‘Ik wou bellen….’, begint hij en ik vul aan ‘maar je had je mobiel niet bij je!’ Beschaamd schudt hij zijn hoofd, ‘ik heb bij Henkie thuis hierheen gebeld, daar kwam ik langs, maar jullie namen niet op!’ Bij het laatste klinkt flinke verontwaardiging door. Altijd bang dat hij teveel van zijn vader heeft, schiet gelijk de vraag door mijn hoofd of hij een smoes verzint, maar dan zie ik dat dat niet zo is. In zijn zenuwen (mijn jongste is panisch om te laat te komen) heeft hij ons telefoonnummer helemaal verhaspeld, gewend als hij was aan die supergemakkelijke voorkeuzeknopjes op zijn mobiel.

Met een uur vertraging kunnen we dus gaan.De inmiddels losgebarste spits kost ons nog eens een uurtje, maar verder gaat het voorspoedig en er hangt zelfs wat lente in de lucht.

Groot is dus mijn verbijstering als ik de volgende morgen, jawel, in Ibis le Bourget, het gordijn opentrek en voor het eerst van mij leven Parijs onder een dun wit laagje zie.

‘Sneeuw!’ gil ik vol ontzetting, ’Het heeft gesneeuwd!’ Weer! Zelfs hier!

‘Heb je de sneeuw gezien?’ vraag ik dan mijn lief, als hij nietsvermoedend uit de badkamer stapt.

‘Sneeuw?’ herhaalt hij met een frons, ‘Dat zal toch wel niet? Hebben wij dat weer.’

Ik vraag me af wanneer het nou eens ophoudt. Ik heb echt wel even genoeg van dat spul gezien en ik heb er niet op gerekend, want ik heb maar één paar laarzen bij me en die zijn glad.

Het is dus een beetje voorzichtig trippelen naar de métro, maar een uur later heeft de weergod zich al bedacht en – zo heerlijk! – er verschijnt zon. Een te lang gemist natuurverschijnsel, dat ook nog eens het hele weekend aanhoudt. Wij koesteren ons erin, onderbroken door bezoekjes aan Napoleon, Onze Dame, een museumpje en het traditionele restaurant in het Latijnse Kwartier.

Kort maar krachtig. Zo sta je tassen en kettingen uit te zoeken op de Marché aux Puces, zo zit je weer achter het bureau bij de speurneuzen. Echt niet nodig om te wachten met dergelijke weekendjes tot de volgende nieuwe auto ingereden moet worden.

(Visited 1 times, 1 visits today)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *