Kwijt

Paniek schiet door me heen. Waar is hij?
Ik steek mijn hand uit om mijn cello van de muur te pakken maar ik grijp in een lege plek.
Hoe kan dat? Ik knipper met mijn ogen en kijk nog een keer, om te constateren dat de plek nog steeds leeg is.
Weg! Mijn cello is weg? Waar is hij?
In paniek ren ik de straat op, zoek in de tuin, in de schuur, op nog meer onwaarschijnlijke plekken, zonder resultaat. Niet wetend waar ik verder moet zoeken, vlieg ik het huis weer in, naar boven. Ik zoek mijn telefoon om Paul te bellen, maar kan niet uit mijn woorden komen.
‘Weg is hij!’ stamel ik, ‘mijn cello. Weet jij waar hij is? Wie heeft hem?’
Maar dan zie ik het.

Een zijkamer in waar ik nooit kom. De deur staat open en ik zie hem liggen. Mijn cello. Blij storm ik de kamer in, om dan plotsklaps stil te staan. Mijn adem stokt in mijn keel. Wat is er in godsnaam gebeurd?
Het gebeurt natuurlijk wel vaker, met andere instrumenten ook. Ze raken zoek, je vindt ze terug en ze hebben een krasje of zo, of een hoekje eraf. Dat was mij ook wel overkomen. Maar dit! Nooit zoals dit! Wat is er gebeurd?
Het huilen staat me nader dan het lachen als ik langzaam naar het instrument toe loop. Althans, naar dat wat ervan over is. Hij ligt op de grond en is kapot. Ik schreeuw. Kapot? Dat is  wel het understatement van de eeuw. Het lijkt wel alsof het ding in elkaar geslagen is!  Moet je nou zien! Wie dóet dat!

De rechterhelft van de cello ontbreekt volledig, er is niet meer dan een dwarsdoorsnede van het instrument over. Ik haal diep adem, waarna een vreemde kalmte over me heen valt. Zoals hij er nu aan toe is, kan ik er niet op spelen! Hoe los ik dit op? Ik bestudeer het wrak wat rustiger.
Gelukkig: de stapel staat nog, kijk! O, wat ziet dat er eigenlijk leuk uit. Normaal gesproken zie je die nooit, natuurlijk. Voorzichtig trek ik er een beetje aan, maar er gebeurt niets. De stapel staat ondanks alles nog steeds stevig geklemd tussen het boven- en onderblad, althans, wat daarvan over is.

Beneden hoor ik de voordeur. Paul komt binnen, loopt naar me toe en begint gelijk te roepen als hij ziet wat er gebeurd is. ‘Ohh, joh, wat een mooie foto is dat! Die zie je nooit zo van een cello!’
Foto?Even ben ik verbaasd, maar als ik wat beter kijk, ik zie wat hij bedoelt. De hoek waarin de ravage en het totale stilleven het best tot zijn recht komen: een beetje opwaarts, van heel laag genomen, zodat de balk en de stapel enorm lijken. En dan de gerafelde bladen. Prachtig, inderdaad.
Even later dringt langzaam tot me door waar het beeld me aan doet denken. Oorlog. Het lijkt wel een gebombardeerd huis in de oorlog.

Terwijl Paul zijn fotocamera laat klikken en flitsen, verandert dit geluid in dat van mijn wekker. Ik word wakker.

Geef een reactie