Broer

In zijn nopjes wrijft hij in zijn handen. ‘Ha. Een half jaar! Wat een rust!’ Zijn ogen stralen. ‘Mag ik dan ook zijn kamer erbij? Voor een inkoopkoelkast?’

Het zit erop

Partir, c’ est mourir un peu. Over een paar uur stapt hij het vliegtuig weer in. Terug naar huis. Hoewel, huis? Mmmm. Zijn thuis laat hij toch achter, nu. Zo zal hij dat zeker voelen.

Terug!

‘O ja. Ik kom de 3e van februari terug…..’ Te midden van al zijn verengelste Nederlands valt deze niet eens op. De 3e van februari. Tussen neus en lippen, deze langverwachte mededeling.

Gistbereiding

Het ging redelijk goed. Paar kleine puntjes van kritiek, maar verder waren ze denk ik wel tevreden. Sanders app’je na zijn praktijkexamen in Wageningen is tamelijk optimistisch van toon.

25

Blijkbaar heb ik het bij elkaar gesprokkeld. Een paar jaartjes hier, een paar jaartjes daar, wat anders tussendoor en weer terug. En plotseling ben ik 25 jaar in overheidsdienst. Huh? Nu al? Vijfentwintig, ja. Een kwart eeuw. Bijna – bij-na – de helft van mijn leven.

Schutting

Tegen twaalven die avond hijs ik mezelf toch maar overeind. We moeten spullen buiten zetten, de oude bank, twee oude kapotte stofzuigers. Want morgen wordt het grofvuil opgehaald. Maar het regent en waait nu zo hard en het is laat en koud buiten!