Pakezel

Het is best vermoeiend. Ik loop te hijgen en te zweten. Zijn we er nou al bijna? Maar ik wil me niet laten kennen. Nog een klein stukje. Daar om de bocht.

Slow! Slow!‘ De bejaarde Griekse mannetjes op stoeltjes voor een huis grijnzen me toe. ‘Slow! Too hot!’
Ik trek een gezicht. Ze hebben makkelijk praten daar in de schaduw. En wij maar klimmen. De weg naar het Kastro bestaat uit trappen. Vooral trappen in de zon.  Trappendie de schitterde straatjes van Molyvos vormen, het dorp dat gedrapeerd is rond de heuvel waar op de top het grote Middeleeuwse  Kastro pronkt. Als een kroon op een hoofd.
Maar natuurlijk hebben de mannetjes wel gelijk. Vanwaar die haast? We hebben alle tijd. Ik denk dat ik mijn Hollandse tempo maar eens moet vergeten.
Nog één bocht. Dat heb ik bij de twee laatste ook al gedacht. Maar we moeten zo langzamerhand toch al bijna bij het Kastro zijn?  
Dus nog één bocht? Ik klim door, kijk op en daar staat hij. De afstand tussen de huizen van het dorp is hier wat groter en staat dan ook meer begroeiing. Het weggetje loopt nog iets door en de volgende bocht (ja, nog eentje dus) is vlak hierna. Dat is waar hij staat, in die bocht, geparkeerd in de schaduw, met een touw vastgebonden aan een boom.
Een ezel.

Ik stop. Wat een leuke dieren zijn dat toch, ezels, bedenk ik, niet voor het eerst. Dit exemplaar staat onverstoorbaar, een hap grasjes herkauwend, geduldig  te wachten op wat er komen gaat. Een groot, enigszins versleten zadel is bevestigd op zijn rug.
‘Kijk nou!’ roep ik. Paul komt achter me aan de bocht om. ‘Wat een leuke!’
Ik hou van ezels, snel schiet ik een paar foto’s. 
‘Een werkezel,’ zegt Paul, wijzend op het zadel en de brede banden die langs de flanken van het dier hangen. Ik knik en zoals altijd hoop ik maar heel erg dat de eigenaar goed is voor zijn dier. Deze ezel ziet er niet slecht uit, dat stemt me wel gerust. Hij is niet schichtig of zo, eerder de rust zelve. Het enige aan hem dat beweegt, zijn z’n kaken en oren, verder trekt hij zich van niets en niemand iets aan. 

Vanachter één van de huizen komt een mannetje tevoorschijn. Dik in de zeventig, schat ik, tamelijk kromgegroeid, zijn gezicht zonverweerd en diepgerimpeld. Hij heeft een aanzienlijke hoeveelheid pakken en zakken bij zich en langzaam zet hij koers richting de ezel. 
De eigenaar. Ik ben benieuwd wat hij gaat doen. De ezel niet, zo te zien, maar die zal het wel al weten.
Het mannetje negeert ons volkomen. De zakken en pakken hangt hij aan het zadel; de ezel laat he allemaal onverstoorbaar toe. Vervolgens maakt hij het touw los waarmee het dier aan de boom vast zat en hijst hij zich in het zadel. Met enige moeite wel, maar dat is hem vergeven, gezien zijn leeftijd.
‘Vort!’, zegt  hij, vermoed ik, maar dan de Griekse versie. Een klapje op de kont en daar gaan ze. Geduldig loopt de ezel, zijn poten trefzeker neerzettend, naar boven, richting het Kastro, het mannetje schommelend op zijn rug.
‘Een pakezel’, zegt Paul. ‘Dat is het.’

Molyvos, juni 2012

(Visited 2 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *