Prik

Buiten adem naar binnenrennend – het kan nog nét voor ze sluiten – laat ik me op een stoel zakken in de verder volledig verlaten wachtruimte. Ik zorg dat ik direct in het zicht zit van de prikzuster, die in prikhokje zit waarvan de deur wijd open staat. Op het tafeltje vóór haar een grote geopende koffer waaruit tientallen roodgevulde buisjes puilen, een rijtje naalden ernaast, klaarliggend voor onmiddellijk gebruik. Ze lijkt veel te jong voor haar taak, het prikmeisje.

Ik slik even. Het stelt niets voor, weet ik, maar het zou te ver gaan om te beweren dat ik hier graag kom. Ik heb gewoon een bloedhekel aan bloedprikken. Af en toe moet het. Af en toe, ja, maar nu ga ik al voor die tweede keer binnen een week. Voor de tweede keer nét voor sluitingstijd, regelrecht door de huisarts doorgestuurd.

Het kind heeft ook niet veel aandacht voor haar omgeving, verdiept als ze is in haar mobiele telefoon. Haar roodgeverfde hoofd over het schermpje gebogen, haar vingers driftig heen en weer schietend, heeft ze geen erg in haar nieuwe laatste klant van de dag.
Na een minuut of twee schuifel ik wat en blaas hoorbaar flink wat lucht uit.
‘O!’ Ze kijkt op. ‘Komt u nog voor bloedprikken?’
Ja, waarvoor ánders? denk ik wrevelig. Nog. De irritatie heeft al toegeslagen, maar ik meld haar vriendelijk dat dat inderdaad zo is.
‘Nou kom maar dan,’ zegt ze onwillig.

Hoe anders dan een paar dagen geleden, toen ik iets te láát binnenstoof bij een uiterst behulpzame verpleegkundige die eigenlijk al opgeruimd had, maar me vriendelijk zei dat er nog tijd genoeg was om ook mij nog te prikken.

Ik stap het hokje in en ga zitten. Terwijl ze zwijgend mijn formulier uit mijn handen grist en het bestudeert, bekijk ik haar tattoos: een nep-ring rond haar vinger en een nep-armband om haar pols.
Maar misschien is zij wel een uiterst kundige prikker, je weet het nooit, bedenk ik me, in een poging mijzelf mijn vooroordelen uit het hoofd te praten. Want wetend hoe diep mijn bloedaders liggen, kan ik niet anders dan hopen dat zij inderdaad heel goed in haar vak is.
Nog steeds zwijgend maakt het kind de naald in orde. Vervolgens grijpt ze mijn arm om hardhandig in mijn elleboogholte de ader op te roepen. Lukt niet.
‘Andere arm even,’ commandeert ze. Na wat gehamer lukt het daar dan wel om een ader aan de oppervlakte te krijgen. Gelukkig, want de marteling duurt me al lang genoeg met die strakke knijpband, het getimmer en die naald. De blauwe plekken op mijn linkerarm zullen me er nog dagenlang aan herinneren.

Hoe anders was dat een paar dagen geleden bij de zeer vriendelijke, verpleegkundige, die zorgvuldig mijn beide armen probeerde om vervolgens, voor ik er erg in had, zeer gehaaid maar pijnloos uit mijn rechterarm drie buisjes vol getapt had. Rustig borg ze alles op en vertelde me wanneer ik over de uitslag kon bellen. Haar prikactie heeft geen enkel spoor nagelaten op mijn arm.

Ze snel ze kan, flikkert het kind de buisjes met mijn bloed in de grote koffer, gooit mijn formulier op de stapel die er vervolgens eveneens in verdwijnt, waarna ze met klap de deksel dichtmept.
Maar ik ben al weg. Geen seconde heeft ze me aangekeken of contact gezocht.

Hoe anders dan een paar dagen geleden. Wat een verschil kan er zijn. Wat een verschil maakt het hoe je de medemens bejegent.

(Visited 78 times, 1 visits today)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *