Schutting

Tegen twaalven die avond hijs ik mezelf toch maar overeind. We moeten spullen buiten zetten, de oude bank, twee oude kapotte stofzuigers. Want morgen wordt het grofvuil opgehaald. Maar het regent en waait nu zo hard en het is laat en koud buiten!

Binnen niet. Maar ja.
Zuchtend grijpen we een jas en sloffen. In de achtertuin verwijder ik het zeildoek dat zolang over de bank hing.
Beng!
Met een knal vliegt de achterdeur dicht omdat Paul net ook de voordeur opent. Shit. Sander ligt te slapen. Die zal wel blij zijn nu, denk ik zuur. Grommend zet ik de deur vast, op de haak.
Beng!
Dat was de huiskamerdeur. Ik krimp in elkaar en voel medelijden met mijn zoon, die straks om 04:00 uur weer op moet staan. Met wat kussens onder mijn arm loop ik door het huis naar buiten, onderweg een grote stop voor de gewraakte kamerdeur zwiepend.

Paul volgt mij met ander onderdelen van de bank. Tevreden plaatsen we het op straat. En dan.
Beng!
‘Nee!’ Mijn lief rent het tuinpad op, terug. Te laat. Met een enorme dreun is zojuist de voordeur dichtgeslagen. ‘Heb jij sleutels?’ vraagt hij mij, hoopvol. Sleutels? Nee, ik niet. Dan dringt het tot me door wat er gebeurd is. De deur is dicht, we hebben geen sleutels. We hebben onszelf buitengesloten. Het is kwart over 12 ’s nachts, het regent en waait hard en het is koud buiten. Binnen niet. Maar ja.

Van zenuwen begin ik te giechelen. ‘We kunnen er niet in,’ proest ik. Paul grijnst mij toe, berustend. ‘Nee. Wat nu?’ Zijn verwachtingsvolle blik rust op mij. Maar ik weet raad. ‘Achterom!’ zeg ik, en ik begin alvast te lopen, intussen doorratelend. ‘De tuindeur doet het niet, ik bedoel, het blokje is kapot, hij kan dus niet op slot en de achterdeur staat open, dus….’ Intussen ben ik al bij het hek dat het achterpad van de straat scheidt. ‘Dat staat altijd open, dus niks aan de hand, we kunnen dan zó achterom naar binnen’, zeg ik. Rammelend aan het hek verstommen mijn woorden. Het hek is toch nooit op slot? Nu wel. Iemand heeft vanavond de sleutel omgedraaid.
‘Heb je de sleutel?’ vraagt Paul vriendelijk, die mij achternagelopen is. Ja, die heb ik wel. Aan mijn sleutelbos, binnen, in mijn tas.

Ik probeer mijn arm door de tralies te wurmen om aan de binnenkant de knop om te draaien. Misschien is hij niet écht op slot….. Intussen flitsen er allemaal beelden door mij hoofd van politieauto’s die nu hier voorbijrijden en stoppen: ‘Zo mevrouwtje, wat zijn wij hier aan het doen?’ Zenuwachtig hinnikend blijf ik wurmen. Mijn armen zijn best dun, dus het gaat net. maar helaas. Hij is echt op slot. Dit gaat niet lukken.
‘Sander bellen!’ opper ik dan, terug bij onze voordeur. Er zit niks anders op. ‘Heb jij je mobiel in je zak?’
Mistroostig schudt mijn lief zijn hoofd. ‘Ligt op tafel. Binnen….’ Shit. De mijne ook.
Ik begin een beetje te verkleumen in de regen. ‘En je krijgt Sander echt niet wakker hoor,’ vervolgt hij.
Maar het lijkt mij onze enige kans om nog vóór half vijf nog binnen te komen. Ik zie ons al uren hier zitten wachten. Buiten. Dus neem ik een besluit. Sorry jongen! Noodgeval! Ik moet je wakker bellen! Voorzichtig druk ik op de deurbel. En nog een keer. Langer. Harder. En nog harder.
Niks.
Geen beweging in huis. Niets. Mijn zoon is met geen kanon wakker te krijgen, blijkt.
‘Wat nu?’ vraag ik en nu is het mijn beurt om Paul hoopvol aan te kijken.
Dan krijgt hij ook een idee. ‘Ik loop om!’ Ah ja, natuurlijk! In de andere straat, aan de andere kant van het achterpad, is ook een toegangshek. En dat staat eveneens altijd open. Waarom heb ik daar zelf niet staan gedacht? Paul is al onderweg en ik wacht bij de voordeur. Nog geen politieauto of rondtrekkende boeven gezien. En dan!

‘Goedenavond!’ De deur zwaait open en daar staat mijn lief, breed grijnzend. Gelukt! Ik vlieg naar binnen en wat is het hier heelijk warm!
‘Ja, het was wel een klauterpartij even hoor, maar het lukte!’
Het duurt heel even voordat het tot mij doordringt wat Paul eigenlijk zegt. Klauterpartij? Mijn gezicht neemt de vorm aan van een vraagteken.
‘Ja, over de schutting!’ verklaart hij dan, trots. ‘Poe, best wel een dingetje hoor, op mijn leeftijd!’
Mijn mond valt open. Over de schutting?’ blaat ik. ‘Geklommen? Ach nee toch…! Kom!’ Ik ren de achtertuin in, wederom gevolgd door mijn lief. ‘Kijk! Ik heb je dat net toch verteld……?’ We staan achterin de tuin, bij onze tuindeur in de schutting en ik trek hem zo open. ‘Zie je, het blokje is stuk en hij kan niet op slot…. Hij is gewoon open….’
Met een schaapachtige glimlach zakt Pauls mond klangzaam open. Een hele diepe zucht, zijn ogen en handen ten hemel geslagen maakt hij rechtsomkeert, het huis weer in. ‘Nee hè? Ik ben over die schutting geklommen en dat was niet nodig??’

Gauw naar binnen. Daar is het lekker warm.

(Visited 7 times, 1 visits today)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *