Spilia Pythagora

‘O nee.’ Mijn stem klinkt zeer vastbesloten. ‘Echt niet. Ik ga niet verder.’
Voor geen miljoen waag ik me op dat smalle richeltje langs die afgrond. Dan maar geen grot. Dit, tot nu toe, was ook al leuk.
Op de vlucht voor Polykrates, een heerser indertijd, belandde Pythagoras – ja, onze eigen Pythagoras van de driehoek en akwadraat plus bkwadraat is ckwadraat – in een grot hoog in de berg Kerkis op west-Samos. Hij had wat volgelingen bij zich, die hij gedurende zijn verblijf daar nog wat onderrichtte.
Tegenwoordig is deze grot een gewilde wandeltocht onder sportieve Samos-gangers. De waarschuwingen dat het best een klim is, en oei als je aan hoogtevrees lijdt, dan staat je wat te wachten, maar ach, wij zullen het gaan zien.De berg Kerkis rijst stijl op boven onze hoofden, vanuit een nauw, groen dal. Wij laten de auto achter een eindje de berg op, op het punt waar verder rijden niet verantwoord meer is. Bovendien willen we wel eens lekker een stukje lopen. Iets waar we geen spijt van krijgen, want wat is de natuur hier prachtig, zo divers aan bloemen, struiken, vlinders, kruiden en fantastische olijfbomen. En de aroma’s! De tijm en rozemarijn groeit hier zo weelderig in enorme struiken dat ik mij voorneem om op de terugweg wat takjes tijm en rozemarijn te plukken. Het waait flink, heerlijk, zodat het niet zo heet aanvoelt, maar we moeten onze hoeden wel goed vasthouden af en toe.

Spilia Pythagora, 1 km, meldt een bemoedigend geel bordje. Makkie. Een paar keer komen ons afdalende wandelaars tegemoet, die dus de tocht naar boven volbracht hebben. Denk ik. Ze zien er best ontspannen uit. Zonder butsen, bloed en kleerscheuren, valt me op, de gelezen waarschuwingen in aanmerking genomen.

‘Hallo!’ Aha. Een Nederlands stel, opgewekt bergafwaarts.
‘Komen we al in de buurt?’ vraagt Paul hen. Dat zou langzamerhand best kunnen.
‘Nou, nog een kilometer zeker wel hoor! En het wordt echt steil!’ De vrouw meldt dat ze het laatste stuk niet gedaan heeft. ‘Dit deel gaat nog wel, dit pad, maar verderop! Niet te doen! Een heel smal trappetje, met een afgrond, brrrr, nou, met hoogtevrees lukt je dat niet hoor…. Je moet zo ongeveer op handen en voeten naar boven klauteren, nou dat ging me echt te ver…. Maar hier een eindje verderop krijg je een stuk meloen,’ ze wijst het pad omhoog. ‘Succes!’
Maar nog steeds een kilometer? Hoe lang zijn de Griekse kilometers eigenlijk?

Het simpele houten kraampje valt nauwelijks op, gefabriceerd met wat planken en doek onder een olijfboom. ‘Kalimera sas!’ horen we en er verschijnt een vriendelijk, gerimpeld gezicht van een mannetje dat intussen schijven meloen afsnijdt. ‘Neem!’ zegt hij. Een welkome verfrissing, die we graag aanvaarden. Intussen prijst de man zijn uitgestalde waar aan. Bergthee, kruiden, potjes, honing, zelfgemaakte pythagorasbeeldjes.
‘Als ik deze tocht overleef, wil ik straks wel wat kopen’, meldt Paul optimistisch. ‘Op de terugweg…’
‘Ohh, maar u bent al tot hier gekomen en u leeft. Dan gaat de rest ook wel meneer!’ De Griek knikt ons hartelijk toe. ‘Gia sas, tot straks!’

Het valt nog steeds mee, vind ik. Wij klimmen rustig door, onderbreken af en toe voor foto’s en filmpjes. Want je blijft fotograferen in dit land. Een paar stappen verder lopen en je ziet weer wat moois. Nu moeten we er toch wel haast zijn, denk ik na verloop van tijd. Het pad zigzagt verder omhoog, met weergaloze uitzichten na elke bocht. Ah, ik zie ineens weer een klein geel bordje. Niet dat er zijpaden zijn of zo, dus verkeerd lopen zou niet lukken, maar een hart onder de riem is altijd fijn.
‘We gaan goed!’ roep ik. ‘Kijk! Spilio Pythagora, 1 km!’
Één kilometer. ? Het blijft steeds maar een kilometer?
Wij kijken elkaar aan en schieten in de lach. ‘Kom op, we gaan door!’ zegt Paul. ‘Eens zullen we er arriveren….’ Hij kijkt de berg omhoog. Dan wijst hij ergens op de berghelling. ‘Zie je dat witte richeltje daarginds? Dat is het volgens mij.’ Hij grijnst mij toe. ‘Klimmetje!’

Ik heb mijn fles water inmiddels bijna leeg als we een kwartiertje later ineens een bescheiden, onopvallende uitspanning zien opdoemen. Ik zie ook links omhoog een in de rotsen uitgehouwen trap beginnen. Spilio Pythagora, trap op, 300m.
‘Nou, het komt dichterbij, 300 meter en dat zo er er nog niet zo moeilijk uit!’ roep ik vol zelfvertrouwen. Ik begin gelijk te klimmen. De trap slingert zich steil omhoog, tussen de olijfbomen en andere gewassen door. Behalve dat het steeds smaller wordt, is er nog niks engs aan. En die afgrond valt ook wel mee.
Wat een aanstelster was dat zeg, die vrouw, denk ik stiekem. Hoezo op handen en voeten?
Zo nu en dan even uitpuffen en genieten van de omgeving en weer een stukje lopen. Al een hele tijd zijn we niemand meer tegengekomen, dus druk is het niet. Diep beneden kronkelt het pad waar we vandaan komen. Wij bevinden ons al aardig hoog op de Kerkis. Ik verwacht nu elk moment tegen de grotopening aan te lopen.
Maar dan.

De trap houdt op en gaat over in een smal paadje. Een richeltje, met een bocht links om de berg en rechts – rechts gaapt een afgrond.
Ik stop, terwijl Paul tot mijn ontzetting gewoon doorgaat, heel voorzichtig, en om de bocht uit het zicht verdwijnt.
‘O nee.’ Mijn stem klinkt zeer vastbesloten. ‘Echt niet. Ik ga niet verder.’
Voor geen miljoen waag ik me op dat smalle richeltje langs die afgrond. Dan maar geen grot. Dit, tot nu toe, was ook al leuk.
‘Het valt mee!’ hoor ik Paul dan roepen, ‘Echt. Het is een heel klein stukje, hier is het al veel makkelijker. Kom maar, ik help je wel.’
Ik wil niet. Ik durf niet.
Maar aan de andere kant trekt het me aan. Ik ben zo nieuwsgierig.
Maar hoe kom ik hier in vredesnaam langs?
Ik bekijk de richel. Een halve meter, breder is hij niet. Nee. Ik durf niet.
‘Nee’, zeg ik. ‘Ik doe het niet.’
Paul is een stukje teruggekomen en reikt mij zijn hand. ‘Kom. Kijk. Twee meter en je bent er… Maar als je echt niet wilt….’
Plotseling overwint mijn nieuwsgierigheid het van mijn angst. Voorzichtig zet ik een voetje vooruit, grijp mij vast aan zijn hand en ineens ben ik er. Het pad is weer iets ruimer vanaf dat punt. Alleen, voordat ik opgelucht kan ademhalen, springt mij het volgende obstakel in het oog. ‘Oh nee. Dat lukt me niet!’
Waar we nu voorstaan, is het witte richeltje dat Paul eerder op de route spotte. Dat richeltje blijkt een gemetseld, naar mijn idee veel te laag muurtje te zijn, langs heel smalle, heel steile trappetje omhoog. Zonder dat muurtje…. Daar ga ik niet aan denken.
Mijn lief is al aan de klim begonnen. ‘Nee!’ roep ik weer, ‘Dat ga je toch niet doen? Ik zie hem af en toe struikelen, denk ik, of misstappen, maar hij houdt vol dat het meevalt. Een meter of tien boven mij gaat hij zitten. ‘Hier is het! Hier is de grot! En echt, hier kun je gewoon lopen!’
Ik slik en zucht eens diep. Wat zal ik doen? Op handen en voeten, zei die vrouw toch? Oh jee, ze had dus toch gelijk. Dit is het stukje van de handen en voeten…..
Heel voorzichtig zet ik mijn voet op de eerste trede. Ik weiger naar rechts te kijken, de afgrond in. Ook niet omhoog, waar Paul nog steeds zit te wachten en tegen me praat. Ik kan niet luisteren. Voet voor voet en hand voor hand kruip ik de trap op. Ik dank de hemel dat er niemand is die naar beneden wil.
En dan ben ik er.

Ik ben er! En de grot ook!
Ik ren, voor zover mogelijk, direct over het plateautje door naar de ingang, weg, ver weg van die trap. Hoe kom ik er weer af straks?
‘Je hebt het gedaan!’ constateert Paul met enige trots. En ik ben blij, want wat is het prachtig hierboven! Ik stel me helemaal voor hoe ooit Pythagoras hier zat, met zijn leerlingen en ik vraag me gelijk af hoe zij dat toch gedaan hebben, toen, zonder trappen en muurtjes, klauterend deze berg op…

In de koelte van de grot weer wat bijgekomen, komt het moment dat ik de afdaling zal moeten gaan aanvaarden. Op mijn kont, is de enige manier. Hoed en fototoestel in de tas gepropt, want ik heb mijn handen nodig. Onelegant zak ik af, het kan me niet schelen. Met mijn verstand op nul overwin ik de richel. En wat een verademing is na alles de uitgehouwen trap naar beneden. ‘Makkie dit nu!’ juich ik.
Het is nog best een eindje, een steile daling terug, maar het geeft niet. Bij het vriendelijk mannetje kopen we thee en olijven. Hij stopt er een zak salie en een zak oregano bij. ‘Krijgt u van mij’, zegt hij. ‘Gia sas!’ De gastvrijheid en gulheid van de Grieken blijven mij raken.

Maar het mooiste voor mij is dat ik iets overwonnen heb. Het is me gelukt. En wat zullen we een spierpijn hebben morgen…..

Geef een reactie