Tuin

Blij was ik met mijn kasje, afgelopen voorjaar. Toen de eerste groene sprietjes boven de grond kwamen koekeloeren, nog blijer. En trots toen mijn rucola, mijn wortels, sperziebonen, boerenkool en courgettes! het in de koude grond zo goed deden. En ja, we hebben er lekker van gegeten. De tuin had na jaren weer een duidelijk doel.

Ik had altijd een tuin. Nou, bijna altijd. Als kind, bij het ouderlijk huis, ook al. De tuin was de lust en het leven van mijn vader en hij was prachtig, altijd. Schitterende bloemen, struiken, waterpartijen en niet te vergeten de moestuin, mét een kas. Het hele jaar aten wij als gezin groente uit eigen tuin.
Maar een wérk dat dat was! Elk vrij moment was mijn vader dan ook bezig in de tuin. Altijd en onvermoeibaar. Soms hielp ik, want ik was een vaderskind en hielp met alles – timmeren, spijkeren, zagen, bouwen, knutselen; dus ook tuinieren. Wat had ik een bloedhekel aan onkruid wieden, maar ja, dat hoorde erbij. Oogsten was veel leuker.

Ik wou dus ook een tuin, toen ik op mezelf ging. Eerst niet natuurlijk, als student in een studentenappartementje, maar de focus lag op daarná. En ik had ze, tuinen, bij elk huis dat ik bewoonde. Ik plantte bloemen, struikjes, deed gras, en ja: hier en daar groeide er een kleine moestuin onder mijn vingers. Snel kwam ik er weer achter hoeveel werk dat eigenlijk is. Maar ik moest en ik zou eigen groente hebben, dus zuchtend trok ik onkruid en wat haatte ik dat! Maar ja!
Door mijn halfslachtige onderhoud waren de resultaten beslist minder dan ik vroeger bij mijn vader had gezien, maar toch. Ik at eigen groente en was trots.

Na achttien jaar moeizaam tuinbeleid, besluiteloosheid en probeersels bij onze huidige  woning gebeurde het vorig jaar weer. Ik kocht een klein kasje en ik ruimde een klein stukje achtertuin in om groente te kweken. De rest zou een fleurige, kleurige bloemenzee worden. Prachtig!
Blij was ik dus met mijn kasje, afgelopen voorjaar en toen de eerste groene sprietjes boven de grond kwamen koekeloeren, nog meer. Trots toen mijn rucola, mijn wortels, sperziebonen en boerenkool het in de koude grond zo goed deden. En ja, we hebben er best lekker van gegeten. De tuin had na jaren weer een duidelijk doel.

Maar wat heb ik een hekel aan het onderhoud. Nog steeds haat ik onkruid wieden, want wat is nou eigenlijk onkruid? Hebben niet alle plantjes evenveel recht op leven? Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om ze met hun leuke bloemetjes uit de grond te rukken en op de mesthoop te kwakken. Met grote tegenzin doe ik het dan toch maar, af en toe. En steeds vaker hoor ik heel stilletjes in mijn hoofd de vraag: als dit tuinieren is, vind je dat dan wel leuk?
Steeds drammeriger komt ook het antwoord. Nee, eigenlijk niet! Ik wil hele andere dingen doen. Ik wíl niet zoveel tijd in de tuin. Ik wíl geen plantjes uitrukken. Oogsten wel, dat is veel leuker.

Eigenlijk heb ik een hekel aan tuinieren.
Weet je: ik wíl helemaal geen tuin!
Ik wil mijn eigen hobby’s!

En het kwartje valt. Heb ik nou echt al die jaren een tuin gewild omdat mijn vader dat vroeger had? Wilde ik net zo’n mooi resultaat als hij, alleen omdat híj dat had? Wie wil ik nou eigenlijk iets bewijzen?
Ik hoef helemaal geen tuin. Ik zou net zo blij en gelukkig zijn met een heerlijk terras of groot balkon, met wat mooie potten waarin kruiden, struikjes en bloemen pronken. Dat is te behappen voor mij.
Ik wíl helemaal niet tuinieren.

(Visited 19 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *