Uit huis

‘Mam.’
Zo begint het meestal.
‘Mam? Ik moet busjes huren.’
Ik verbaas me hardop over het meervoud. ‘Nou ja, een busje,’  verbetert hij zichzelf. ‘En ik moet naar Ikea, spullen kopen.’
Met zijn blik zoekt hij hulp, mijn oudste. Ik probeer niet te grijnzen, maar dat lukt niet. ‘Zal ik meegaan, naar Ikea?’ stel ik voor. Zijn gezicht klaart op. ‘Ja, graag, wel!’

Oudste gaat het huis uit. Eindelijk heeft hij woonruimte gevonden die hem bevalt. Ik ben blij voor hem, hij is er aan toe. Het grote verhuizen is begonnen en vanzelfsprekend wil ik daarbij helpen.
‘Geen idee,’ zucht hij ‘Wat voor pannen moet ik hebben? En borden, en dat soort dingen… Ja, en een bank!’

De dag voordat oudste verhuist, gebeurt er iets waar ik geen rekening mee gehouden heb. Ik word ziek. Als een dweil hang ik op de bank. ’s Nachts moet ik rennen om de wc te halen omdat mijn maag zich omkeert. Een dag eerder had Paul het. Eén dag flink beroerd en daarna was het over. Heb ik dat nou van hem overgenomen? Ik ben nooit ziek.
Op de grote dag lig ik dus te rillen in mijn bed, zo slap als een vaatdoek. In de verte hoor ik af en toe verhuisgeluiden, maar wat baal ik! Uiteindelijk – zijn oude kamer is leeg – komt oudste naar boven sjokken.
‘Pfff … ik ben al drie keer over mijn nek gegaan,’ mompelt hij, ‘en m’n bed heb ik nog eens niet in elkaar gezet daar…’
Wat? Getver, heeft hij het nou ook? Jeetje, wat komt dit allemaal slecht uit. 
‘Ik ga wel op m’n bank slapen… Nu moet eerst de bus even terug…’ 
Even later hoor ik hem nog een keer kotsen in de badkamer. Ik lijd mee met hem, maar ben nog tot niets in staat.

Een paar uur later word ik wakker, ik heb nu wel trek in een kopje thee of zo. Op weg naar beneden stop ik, mijn aandacht getrokken door iets in de oude kamer van mijn oudste. En ach jeetje. Ondanks de ellende moet ik grinniken. Daar ligt hij, op een soort kampeermatrasje op de grond. Diep onder zeil.

Later horen we hem toch de trap af stommelen. Nog wel wat witjes, maar het gaat wel weer, meldt hij geeuwend. 
‘Ga je toch?’ informeer ik, knikkend naar de gevulde toilettas die hij bij zich heeft.
‘Wat was ik beroerd zeg. Ja, ik ga nu. Ik slaap vannacht op de bank,’ zegt hij, met een lachje. ‘Ik zie morgen wel verder. Doei!’
En weg is hij. Uit huis.

‘Mam?’
Een week later, jongste staat voor mijn neus.
‘Mam. Ik heb een busje gehuurd voor zaterdag. Maar ik moet nog naar Ikea, spullen kopen.’
Ik ken dit al. Opnieuw probeer ik net te grijnzen, en opnieuw lukt dat niet. Met een hoopvolle blik op mij gericht gaat hij door. ‘Ik heb echt géén i-déé wat voor pannen ik moet hebben, en zo….’
Het gevoel voor drama van jongste is mij bekend. ‘Zal ik meegaan?’ stel ik toch voor.
‘Ja! Graag!’ komt er opgelucht.
Ik verdraag het slechts één week oude déjà vu.

Pas een week geleden is het dat oudste is vertrokken. Jawel. En nu heeft jongste een woning gevonden. Afgelopen week heeft hij nog een dag kotsmisselijk in bed gelegen – wat een gemeen, heftig en zeer besmettelijk buikvirus was dat! – en nu gaat ook hij. Binnen een week zijn ze dus allebei vertrokken. Weg. Uit huis. Een leeg nestsyndroom? Nou, dat valt wel mee. Ze waren er beiden ook echt aan toe. Maar toch, het is wel wat. 
In ieder geval zijn we deze keer niet ziek. Dan scheelt.

(Visited 1 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *