Visje

Snuffelend, met de neus in de lucht, trippel ik naar dat tafeltje op ons terras op het strand. Ha! Ik ruik het! Ze hebben daar een echte vis! Een verse, gegrilde vis!  En daar blijft altijd wel wat van over, ik weet dat. En dat lust ik!

Als ik nou eens heel vriendelijk bij die mensen ga zitten? Gewoon, netjes? Watertandend sluip ik erheen en posteer me naast een stoel. Heel zachtjes laat ik een kort miauwtje horen. Dat doet het meestal wel goed, uit ervaring weet ik dat. En ja:
‘Hee hallo!’ klinkt het van boven. Een vriendelijke man kijkt me aan. ‘Ben je daar?’
Ah! Ik ga nog netter zitten. Ze zien me!
Zo beleefd mogelijk herhaal ik mijn mauw. De mensen knabbelen verder aan hun vis – ooh, het water loopt me in de bek! Voorzichtig trek ik hun aandacht door zachtjes met mijn voorpootje tegen een knie te tikken.
‘Ja, dat zou jij ook wel lusten hè!’ zegt de aardige man tegen mij.
Ja, natuurlijk! Ik ben een poes! Ik lust vis!

Toch moet ik nog even geduld hebben, merk ik. Ik loop een beetje heen en weer tussen de man aan de een kant, en de vrouw aan de andere kant van het tafeltje. Af en toe tik ik hen aan met mijn pootje en hoop dat dit helpt.
En dan! Ja! Mijn tactiek werkt!
‘Kijk eens?’ De man gooit wat stukjes vis en graten op de rond. Voor mij! Gulzig vlieg ik er op af. Heerlijk! Er blijft niets over van die zalige vis.
Maar ja, ik lust nóg wel wat hoor. Ze zijn nog niet klaar, er is dus méér!

Ik besluit iets dwingender te werk te gaan. Met een klein sprongetje krijg ik mijn voorpootjes op het tafelblad. Miauw! Zien jullie mij?
De mensen moeten om mij lachen en dat is best, maar ik heb er niet veel aan. Ik lust nog wel wat vis namelijk. Snappen ze dat niet?

Ah. Ik hoor het. Ze zijn klaar. Bestek wordt neergelegd op de – hopelijk niet helemaal lege! – borden en de mensen zakken tevreden achterover.
Zíj wel. Maar nu ik nog!

Het duurt me te lang. Ik weet zéker dat er nog wat ligt, ik ruik het toch? Komt er nog wat van?
Dan krijg ik er genoeg van. Nou hoor, ik pak het zelf wel. Voor ik het weet, spring ik nog een keer. En dan! Dan sta ik ineens helemaal op de tafel, met alle mijn vier poten! O jee! De mensen schieten wel in de lach, maar nu moet ik toch snel zijn.

Razendsnel grijp ik van het bord wat ik grijpen kan. Met de hele visgraat in mijn bek – ooh wat heerlijk! – spring ik op de grond en maak ik dat ik weg kom. Met de buit de struiken in.
In alle rust, op mijn gemak, kan ik dit heerlijks he-le-maal oppeuzelen. Na een paar minuten kom ik voldaan weer tevoorschijn, op mijn gemak mijn bek nog aflikkend en spinnend van genot.

Poe zeg. Wat een leven als poes in Epidavros……

(Visited 23 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *