Winterslaap

Ooit maakte ik er actief deel van uit, ik betekende daar zelfs wel wat. En dat was heel normaal, gewoon mijn leven.
De wereld van de muziek.
Toch verliet ik die wereld en dat leven  vrijwillig, hoewel in mijn ogen noodgedwongen , onmiddellijk, na een snel genomen, resoluut  besluit. Nee, geen moment voelde ik spijt.
‘Ja, het is wel jammer, maar het kon niet anders,’ zei ik, namens de stem in mijn hoofd. ‘Het is leuk geweest die jaren, maar ik hoef er toch niet mijn hele leven geforceerd aan vast te zitten, alleen omdat ik op mijn 17e voor deze beroepsopleiding gekozen had? Er is nog veel meer in het leven naast muziek. Kom op zeg.’
Hoe vaak zal ik dit herhaald hebben? Tegen goedbedoelende mensen en hun bezorgde vraag die me na verloop van tijd de keel ging uithangen:  ‘Goh jammer! Vind je dat niet zonde? Mis je het niet? Wil je niet terug?’
Missen? Welnee, helemaal niet. Het is leuk geweest, echt, en ik wilde het er liefst helemaal niet meer over hebben. ‘Ach’, zei ik dan, ‘dat komt wel weer eens hoor. Misschien over een paar jaar, als ik weer meer tijd heb voor mijzelf… of zo…..’Wat bleef, was toch een onbestemd, vaag, onrustig gevoel. Wat voelde ik eigenlijk? Wat stopte ik weg? En wat deed dat nare knoopje in  mijn middenrif?

Ik begon een gezin. Tropenjaren, waarin geen seconde tijd was voor iets anders dan mijn twee jongens.  ‘En’, bezwoer ik de wereld op luide toon,’ nóóit zal ik mijn jongens ook maar enigszins in de richting van muziek duwen. Als ze uit zichzelf, spontaan, belangstelling krijgen en een of ander instrument willen leren bespelen, is het vroeg genoeg en alleen dán heeft dat waarde!’
Maar stiekem genoot ik toen zij dat inderdaad allebei deden. Ik glunderde; een rare flard van weemoed negeerde ik ferm. Want er is véél méér in het leven dan muziek!
Toch?
Maar die knoop …

Nooit zet ik muziek op, ik luister naar niets.  Geen CD komt uit de kast, want wat kan ik genieten van de stilte! Ach, als het erop aankomt, vind ik maar zo weinig muziek echt mooi, en meestal deugt ook de uitvoering niet.
Maar toch, vaag en onbestemd is daar steeds dat gevoel. Een beetje onrustig wordt ik ervan. Wat stop ik nou eigenlijk weg? En voel ik me ineens zo sterk door dat harnas dat ik heb opgericht  rond mijn lijf? De knoop in mijn middenrif verschuilt zich daaronder; fijn, zo voel ik hem veel minder.

Onverwacht komt er een kans en ik geef toe. Ik ga meedoen aan een concert. In een opwelling zeg ik dit toe en trek ik mijn gamba van de muur. Als ik begin te spelen, hou ik niet meer op. Ik wil niets anders meer.  Ja, zó was het, toen, zó kon ik helemaal verdrinken in de muziek, en ik wil terug, de draad oppakken die ik zo lang geleden heb laten vallen, en spijt is wat ik voel, spijt om mijn besluit indertijd en om de gemiste kansen.
Maar dan. Na een paar weken al hoor ik het, in mijn hoofd. Dat stemmetje: ‘Joh, hou op. Dit kan niks meer worden. Het heeft geen zin. Hou er nou maar gauw weer mee op.’
Onmiddellijk geef ik mijn hoofd gelijk. Ik kap ermee, ik kan toch nooit meer terug naar die wereld.

Maar iets heeft mij aangeraakt en dat weigert  mij met rust te laten. Als op een avond  radio aanstaat en ik met een boek zit maar niet kan lezen, hoor ik het. Muziek uit mijn jeugd, mijn studietijd, mijn professionele leven. Ik luister en luister, de tranen branden in mijn keel. Alles komt terug, alles hóór ik terug en weemoed vult mijn hart. Daar hoorde ik bij! En wat mis ik het!
Tegelijkertijd is daar dat vage, onbestemde gevoel, dat zich langzaam door mijn hele lichaam verspreidt. Pijn, het doet me pijn, de muziek. Verdriet, teleurstelling. Plotseling kan ik niet meer luisteren.  Het is voorbij, die tijd, en het  kan niet meer; dus wég ermee. Geef mij maar stilte.

Langzaam sukkel ik in een winterslaap. Ik overleef, maar niets komt uit mijn handen, nergens heb ik zin in. Muziek, schrijven? Ach, zinloos. Sieraden maken, kleding naaien – een soort lamlendigheid legt mij stil. Ik verdwijn onder een gordijn en verstof.

Geef een reactie