Wurg

Ik vlucht, ik ren en ren….. Waarom kom ik nauwelijks vooruit? Weg moet ik, weg, hij zit me op de hielen!
Door smalle straatjes probeer ik te rennen voor mijn leven, maar ik lijk wel vastgeplakt aan de grond. Maar gelukkig, ik ben er. Hijgend ga ik door een deur naar binnen, eindelijk veilig in mijn huis. Direct gooi ik achter mij de deur dicht, draai hem op slot. De grendels boven en onder knarsen ervoor en ik laat me tegen de deur aanvallen, snakkend naar adem.
Maar dan hoor ik hem.
Hij is er! Zijn gebons op de deur dreunt in mijn hoofd. Woedend hoor ik hem tegen de deur duwen en slaan. Wat moet ik doen? Barricaderen?
Maar het is al te laat. Tot mijn afgrijzen zie ik dan dat de deur wijkt, in het midden. Hij begint helemaal bol te staan, naar binnen toe, de opening groeit met elke klap die hij ertegen aan geeft en dan …! Daar is hij!
Daar is zijn arm die me bij de keel grijpt. Ik schreeuw, maar meer dan een gerochel komt er niet uit; spartelend en vechtend lukt het me op de een of andere manier om me los te rukken, hem naar buiten te duwen en met mijn hele gewicht laat ik me weer tegen de deur vallen. Met gierende adem weet ik ook de grendels er weer voor te schuiven.

Maar hij geeft niet op, hij gaat niet weg.
Weer bonst hij, met alle kracht probeert hij de deur open te duwen en weer zie ik die wijken. Uit mijn mond komt een zacht gejammer, van pure angst giert de adem door mijn keel. Weer zie ik die arm naar binnen graaien. De kier wordt groter, ik kan het niet stoppen. Weer bolt de deur naar binnen toe en dan begeeft hij het. Terwijl ik verlamd van angst toekijk, is hij al binnen en op hetzelfde moment heeft hij me vast. Zijn handen knijpen mijn keel dicht, ik probeer naar lucht te happen, het lukt niet, ik stik…., ik stik!
Ik zie zijn gemene grijns, hij wurgt en knijpt, dan doet hij een hand over mijn neus en mond, ik krijg geen lucht meer, ik stik nu echt, ik heb het steeds benauwder en probeer te schreeuwen maar er komt alleen een zwak gerochel uit mijn luchtpijp. Ik gil, ik schreeuw en schreeuw …

… en word wakker.

Maar nog voel ik de verstikkende handen over mijn gezicht en de wurgende greep om mijn keel; ik reutel, trappel op los te komen. ’Help! Help!!’ piep ik.
En dan voel ik andere armen om me heen, de veilige armen van Paul. ‘Het gebeurde weer?,’ fluistert hij. ‘Kom….’
Langzaam zakt mijn paniek en ik word wat rustiger. Ik leef nog. Het was die droom, weer.

Geef een reactie