Landje

Het is allemaal nieuw voor haar.
Het meisje zit in de tram, voor het eerst in haar bijna vierjarige leven. Met haar neus tegen het raam geplakt kijkt ze naar buiten, terwijl de tram over de rails glijdt. Naast haar zit haar tante An.Tante is de zus van haar moeder. Het meisje mag daar wel eens naar toe als haar ma ergens heen moet. Ergens. Het kind heeft geen idee wáárheen, of waarom, maar dat interesseert haar heel weinig.

Ze snapt trouwens niet alles wat ma over tante zegt. ‘Die afschuwelijke muziek! Hoewel, dat ís geen muziek. Geschreeuw is het!’ klinkt het dan vol afgrijzen. ‘En dat hoor je daar steeds op de radio. Ik hoop niet dat ze dat doet als de dames bij haar zijn…..’ De dames, dat zijn het meisje en haar zusje. Ze vraagt zich af over welke muziek ma het heeft.
‘Ohhh,’ verklaarde tante An luchtig, toen ze er eens naar vroeg, ‘De Beatles. Een nieuwe groep zingende Engelse jongens. Ze zijn heel populair. Hoor maar. Dit is het.’ En ze liet een liedje horen, dat het meisje heel vrolijk in de oren klonk. Best leuk eigenlijk, dat kan toch nooit afschuwelijk zijn?
‘Maar jouw moeder vindt dat niks!’ Nee, thuis hoort ze dat nooit. Ze vraagt er ook maar niet om, ze kijkt wel uit zeg.

Rinkelend giert de tram een bocht door. ‘Leuk hè?’ vraagt tante, als ze de verbijsterde ogen van haar nichtje ziet. ‘Kom, we moeten eruit. Druk jij maar op die knop daar!’
Het lijkt wel toverij. Het meisje moet ver omhoog rekken voor ze erbij kan, dan zet ze haar vinger op de rode knop en even later stopt de tram! Verbijsterd kijkt ze omhoog naar het lachende gezicht van haar tante. Hoe weet de tram nou …?
’Ja, hoe kan dat nou hè?’ zegt tante geheimzinnig. ‘Straks mag je het weer doen, als we teruggaan.’Aan de hand van haar tante stapt het meisje uit.
‘Hou me goed vast hoor,’ waarschuwt tante, ‘het is erg druk hier.’
Verbluft kijkt het meisje rond. Zoveel verkeer heeft ze nog nooit gezien! De straat die ze thuis elke dag oversteekt op weg naar de kleuterschool stelt niet veel voor, hierbij vergeleken. De auto’s suizen toeterend vlak langs de stoeprand voorbij. Haar tante wil oversteken, maar plotseling wordt de aandacht van het meisje naar de andere kant getrokken. Van achter de tramhalte voert een windvlaag een heerlijke lucht mee, die haar neus in dwarrelt.
‘Kijk, daar! Bloemen!’ Ze wil tante An meetrekken naar het groene weilandje dat ze daar ziet liggen. Midden tussen de gebouwen! Het lijkt wel bezaaid met witte en paarse bloemetjes. Daar komt de geur vandaan. Ze wil daar graag even gaan kijken.
Maar haar tante blijft staan. ‘Nee Erika,’ zegt ze, ‘ik moet even naar de Bijenkorf.’ Ze wijst naar de overkant van de brede, drukke straat. ‘Die hele grote winkel daar.’ Teleurgesteld kijkt het meisje op, haar handje nog in die van haar tante. ‘Maar ik wil naar die bloemen,’ zegt ze.
Tante An richt haar blik op het veldje. ‘Kamille,’ zegt ze zachtjes, ‘tussen het puin…’ Heel even denkt ze na, voor ze tot een besluit komt. ‘Weet je wat? Ga jij maar op dat landje kijken bij de bloemen; dan loop ik even naar de winkel.’ Ze glimlacht als haar nichtje staat te springen van plezier. ‘Maar Erika, denk erom: je mag niet weglopen. Je moet daar net zolang bij de bloemen blijven tot ik weer terug ben. Goed?’

Het meisje staat al heftig te knikken. Tante laat haar los. ‘Tot straks dus hè? En denk erom: daar blijven!’
‘Ja goed!’ roept ze, ze rent al weg naar het landje. Tante Jans kijkt het meisje na tot ze tussen de bloemen en het hoge gras verdwenen is. Dan steekt ze de straat over.


Verrukt loopt het meisje rond over het braakliggende landje. Wat een bloemen! Diep snuift ze de geur in van de witte bloemetjes met het gele hart. Heerlijk! Ze plukt er wat van, en ook van rode en witte wollige schapenklaver. Ze verdwijnt in haar fantasiewereld, waarin ze van het ene heuveltje naar het andere springt, zonder een misstap, haar reis aflegt zonder tegengehouden te worden. Zie je wel, ze krijgen haar niet hoor, ze is te snel voor iedereen. Ze zweeft over de stenen en puinstukken die tussen de bloemen verspreid liggen; resten van gebouwen, platgebombardeerd als startsein voor die oorlog van nog maar achttien jaar geleden. Maar daarvan heeft het meisje geen flauw idee.

Veel te snel hoort ze haar tante weer roepen. Met tegenzin maakt ze zich los van haar paradijsje. Ze keert terug naar de echte wereld en loopt terug, naar tante en de tram, haar boeketje als een trofee in haar handen.

De geur van kamille. Het zal haar altijd doen terugdenken aan dit landje. Nu, bijna zestig jaar later, heeft ze het er nog over, elke keer als ze over de Coolsingel loopt. Ze kijkt dan naar de plek schuin tegenover de Bijenkorf. Er staat nu een lelijk gebouw, maar nog steeds ruikt ze het, de wilde kamille van het landje van toen. En ergens diep in haar hoofd komt ook het liedje weer op.
Love, love me do…

(Visited 22 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *