
We hadden de mazelen, mijn zusje en ik.
Als peuter kregen wij alle prikken van het Rijksvaccinatieprogramma, dat in hetzelfde bouwjaar is ontstaan als ikzelf. DKTP, dus voor difterie, kinkhoest, tetanus en polio zaten we veilig. Maar mazelen? Dat zat daar nog niet bij, die vaccinatie kwam pas twintig jaar later. Dus als kind doorstonden we die infectie gewoon, net als iedereen en daar werd nooit moeilijk over gedaan, het hoorde erbij.
Ik was vijf toen het toesloeg. En het velde me volledig; er zijn flitsen van herinnering aan mijn dagenlange geïsoleerde verblijf in mijn bed. Geen bezoek, dus ook geen oma; want dat het besmettelijk was, wist iedereen. Maar ja, ik deelde mijn slaapkamertje met mijn kleine tweejarige zusje en het was een kwestie van tijd – slechts dagen – voordat zij het van me had overgepakt.
Dus bivakkeerden we allebei in bed, en onze moeder had haar handen vrij – er klonk dan ook veel pianospel vanuit de woonkamer. Toen ik wat opknapte, mocht ik eruit en mijn zusje gezelschap houden. Uit bed dan, niet uit het kamertje. Er mocht niemand anders bij ons, ik weet het nog heel goed; en wat ook nog in mijn herinnering zweeft, is dat een zusje met mazelen niet lekker rook.
Pap glipte elke dag heel even onze kamer in als hij thuiskwam van zijn werk. En behalve dat hij dan voorlas, altijd een feest, had hij in die ziekzijn-weken ook steeds verrassinkjes voor ons bij zich.
Zo ook deze fluitjes. Ze maakten een ratelachtig kabaal dat ma op afstand, maar hoorbaar verafschuwde.
‘Even een foto,’ meldde pap, hij zette mij naast het kleine bedje van zusje. ‘Maak maar lekker kabaal met die dingen!’
Dat was tegen geen dovemansoren gezegd. Heerlijk, legaal herrie maken!
‘Even flink hard blazen!’ zei hij met een glimlach en drukte af.