
‘Houkes? Mmmm. Beetje vroeg.’
Een heel on-Grieks lange slanke jongeman, dat zal de receptionist zijn, komt achter een bureau vandaan, waarachter heel Grieks grote kasten met ordners prijken. Het klopt, wij hadden een afspraak om half tien en dat is het nog niet helemaal, maar mijn gevoel van opluchting overheerst. Het klopt. We worden verwacht. De ruimte is verder uitgestorven Geen collega’s, geen landgenoten die iets moeten regelen.
‘U bent een beetje vroeg, hè,’ meldt hij vervolgens vriendelijk. Zijn stem is hoog, zeker voor zo’n lange man. Een grote lok haar valt over zijn gezicht. Paul knikt minzaam. Maar wat is vijf minuten op een rit van ruim tweeënhalf uur vanuit de Peloponnesos naar Athene?
‘Kom, ga daar maar even zitten. Wacht.’ Een deur klikt open en leidt naar een klein loketje met twee stoelen voor een raam en uitzicht op de werkruimte waar de jongeman rondloopt.
We wachten wel even, geen probleem. terwijl de Griek weer achter het bureau is geschoven, hand onder de kin, turend op zijn beeldscherm. We verwachten elk moment iemand die de paspoortaanvraag zal verwerken.
Maar die komt niet. Klokslag half tien trapt de Griek zijn stoel naar achteren en slentert rustig naar de andere kant van ons loket. ‘Hal-looo!” zingt hij.
Huh?
Een giechel kriebelt in mijn keel, maar ik hou hem binnen. Er komt geen andere collega. Die is er helemaal niet. Nee, de man doet het zelf. Hij heeft even een andere pet opgezet, de pet om de klanten van dienst te gaan zijn. Maar alles op zijn tijd. Half tien is half tien.
‘Γειά σας! Hal-looo!’ Hij klínkt zelfs anders dan net. ‘Τι κάνεετε; Hoe is het? Paspoort?’
Ik val bijna van de stoel als hij ons vervolgens In bijna perfect Nederlands te woord staat. Is hij wel een Griek? Qua postuur twijfel ik. Hollandse voorouders misschien
Formulieren, vragen en pasfoto’s gaan over en weer. Hij heeft humor, deze man en moet zelf grinniken om de lange rij vingerafdrukken die Paul moet achterlaten.
‘Is een paspoort aanvragen in Den Haag net zo omstandig?’ De lok haar valt over zijn twinkelende ogen.
‘Oelàlààà!’ Oprecht geschokt kijkt hij ons aan als Paul vertelt hoe vroeg de wekker deze ochtend was gegaan. ‘Uit Velanidia? Ah, Argos? Oei! Dat is ver rijden!’
Ja, vijf minuten te vroeg arriveren is dan helemaal niet zo gek.
Meteen laat hij Paul nog een extra setje vingerafdrukken zetten, een extra kaartje met handtekeningen, want ja, ‘U woont ver weg! We willen niet dat u moet terugkomen als er iets niet goed is!’
Hij neemt de tijd. Wat geeft het? Er is verder niemand. Zijn uitleg van de procedure is gelardeerd met grapjes, veelbetekenende blikken en vrolijke uitroepjes.
‘Dit was het,’ jubelt hij, na drie kwartier. ‘U bent klaar. U bent vrij om te gaan!’ Om op therapeutisch indringende toon te vervolgen: ‘Hoe was uw ervaring, hier op onze ambassade?’Onze ervaring was perfect. Uitstekend. Hij krijgt vijf sterren van de vijf, deze Griek met Nederlandse roots, of niet.
‘Dààg! Fijne dag nog!’ zingt hij. ‘Tot ziens!’
Als dat paspoort er over twee maanden maar wel is.