
Wij gaan zoals wel vaker wat eten bij een kleine taverna aan het water. Er zitten nooit Nederlanders, behalve wij dan. Maar help, al die campers? De aanwezigheid van zes campers bij elkaar, met Nederlands kenteken, op het mooie strandje, doet het ergste vermoeden.
En ja, daar zitten ze hoor. In onze Taverna, waar iedereen ons kent langzamerhand. Twaalf Nederlanders—met-pensioen, op pad met de camperclub, aan een lange tafel, waar wijn en bier al rijkelijk vloeien. Waar zijn de camera’s en loopt Martine ergens rond? Dat dus niet. Maar ik heb hier nog nooit zoveel luidruchtige landgenoten bij elkaar gezien.
En ja. Ook de grapjas ontbreekt niet. Er is er altijd wel eentje met de grootste mond en de hardste stem die de sterkste verhalen door het arme etablissement heen uitschreeuwt. Aan ons tafeltje, diagonaal in de andere hoek, hoeven we geen enkele moeite te doen om ze te verstaan.
‘Zo goor, man, daarzo! Ik heb ’t toen maar aan de hond gevoerd!’ Met onvervalst Amsterdamse tongval gaan de meest fantastische stuntverhalen over de tafel.
‘t Is nie so veul, hè, dat eten?’ Zijn vrouw doet ook een duit in het zakje. ‘Hadden we gister ok op de BBQ, weet je nog? Stokkies. Gister.’
‘En morgen! Dan gaan we naar Epidáávros?’ De schreeuwlelijk gaat door. ‘Je kan daar met de camper lekker in de haven staan. Ja, mag niet, maar joh, schijt aan die zeikerige locals die je weg willen jagen…’
Een muisachtige vrouw moet plassen. Met fladderende handen en ingetrokken nek trippelt ze naar het toilet. Ze heeft haar hele leven geredderd, ze straalt het uit.
‘En je kan óók naar Poros, ligt daar ook joh, aan ’t water, snap je! Ja, ’t is een eiland. Aan zee, ja.’
Slim hè. De man weet alles.
De redderende vrouw komt terug. ‘Da ga ik ook,’ besluit een ander met ook een volle blaas luidkeels. Het schijnt veilig te zijn, dus dat risico durft ze nu wel aan.
‘Ik wil ijs!’ dramt een vrouw tegenover haar. ‘Toetje! Hebbe ze horentjes?’
‘Epidáávros dus?’ dreunt de Alfaman. ‘De haven? Morgen?’