
Wij hebben al vijf jaar een duif. De dorpsduif. Hij strijkt neer op de paal van de telefoondraden in de boomgaard en begint dan zijn riedel.
Dezelfde riedel, al die jaren.
Hij koert dat het een aard heeft, naar lieve lust en hij krijgt ook antwoord. Zijn vrouwtje zweeft ook rond het dorp, zij heeft haar eigen telefoonpaal. Maar soms zitten ze samen op onze paal, liefdevol naast elkaar en dan zingen ze samen een lied.
Hetzelfde lied. Ze zijn zo verknocht aan elkaar dat hun melodietje hetzelfde is. Ritmisch komt het ook volkomen overeen. Maar over de toonhoogte zijn ze het nog niet eens.
Hij begint, zij valt in, alleen volgt ze haar eigen pad en dat ligt een halve secunde hoger. En halve toon. Een ritmisch zo perfect duet dat pijnlijk dissoneert in verwende oren.
Het tortelduivenstel trekt zich er niets van aan. Ze zijn er niet minder gelukkig onder en koeren het hoogste lied als twee slecht op elkaar afgestemde fluiten. Hoe mooi kan een ogenschijnlijke dissonant zijn.