Bullebak

Ze is een kwebbelaar en roddeltante. Als fervent kampeerster (haar eigen woorden) komt ze hier al decennia lang elk jaar een paar maanden, net als een paar andere families en ze ratelt maar door hoe heerlijk dat is. Zij regelt alles voor iedereen en is de baas van het veldje.
Onze buurvrouw op de camping.
En ze heeft een bullebak.

Ik hoor ze praten met z’n tweeën en zijn ongeduldig agressieve toon bevalt me niks. Alles  eenlettergrepig, óf kritiek.
Je hebt een bullebak, meid.

Welwillend knikt hij als we netjes langslopen en handelen naar zijn wens. Zo niet, dan verandert er iets.
Het is acht uur ‘s ochtends als ik thee zet en iemand hoor roepen.
‘Buurvrouw!’ Ah. De buurman. ‘Halló!’ Ik buitel niet snel genoeg de deur uit, denk ik.
Geen groet. ‘Je hond staat bij ons in de tuin te pissen.’
Tuin? Zeker even zijn poot opgetild tegen een struikje rond hun kampeerplek.
’Dat vinden wij smerig.’
Wij? Een ongelukje dat zij de middag daarvoor met een handgebaar wegwoof. ‘Ach, niet zo erg hoor’.
‘Hou hem aan de lijn!’ blaft hij.Hij heeft ook echt het hoofd van een bullebak, zie ik. ’Straks heeft-ie nog gescheten ook!’
Welnee.

Sneu. Ze heeft een bullebak, de kletstante naast ons.

(Visited 2 times)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *