Plant

We gaan naar de markt in Argos. Nu we weten waar je – met een beetje geluk – kan parkeren, is deze stad ineens een stuk leuker geworden.
Het laatste parkeerplekje is voor ons – het geluk is vandaag met ons. Aan de rand van het braakliggende terreintje dat als de parkeerplaats dient, lopen we langs we een paar bestelbusjes met openstaande achterbak, waaruit een zee van bloemen en planten puilt. Op het dak staan terracotta bloempotten gestouwd. Ik vraag me af hoe ze met zo’n topzwaar voertuig op de openbare weg hebben kunnen rijden, maar we zijn in Griekenland. Sommigen dingen zijn gewoon anders.

Vanachter een van deze busjes – een schoon, goed onderhouden exemplaar, dat dus opvalt – springt plotsklaps een eveneens schone, netjes opgedofte vrouw voor onze neus. Ze geeft de indruk dat ze graag wil dat wij bij haar planten kopen. ‘Mooie bloemen, goede plant, kijk!’
Maar aangezien we afgelopen week net al een lading tuinplanten gekocht hebben, slaan we het aanbod af.
‘Nou ja, misschien op de terugweg,’ mompelt Paul, met een schuine blik op mij. ‘Ik ben benieuwd of je ze dan kunt weerstaan.’ 
Ik weet zeker van wel. Want hoewel ik heel hebberig wordt in een tuincentrum, ben ik niet dol op onduidelijke handel waar ook al nergens prijzen staan vermeld.

Met tasjes propvol heerlijke groente en vis wandelen we een uurtje later weer langs de bloemenbusjes terug naar de auto,. Ferm neem ik me voor om resoluut door te lopen en het lot lijkt mij wederom gunstig gezind te zijn. De vrouw is in geen velden of wegen te bekennen en uit het betreffende busje steken alleen benen. Voor mij meer dan genoeg reden om de handel te negeren en ongemerkt door te kunnen lopen, maar ik heb buiten Paul gerekend.

Hij stopt en wijst naar een grote hortensia. ‘Die vind ik mooi!’
Een stel spelende kinderen ruikt direct een potentiële klant en ze roepen hun moeder, die zich vervolgens rap uit de bus laat rollen.’
Mooie planten!’ begint ze, bijna op de automatische piloot. ‘Mooie bloemen!’
Ze slingert de hortensia voor Pauls voeten op de grond en er volgt een ingewikkeld verhaal over samenstelling van de prijs. Ik vang wat woorden op, tien, twintig en vijf. Maar de combinatie daarvan is niet helder. Ook niet wat de plant nou kost.
Ik stel dus iets voor. ‘Tien?’
‘Neeneenee, dat niet!’ roept ze verschrikt en start hetzelfde verhaal weer.
‘Vijftien dan?’ probeert Paul, zodra hij ertussen aankomen. Dat vind ik uiterste prijs voor zo’n plant, met in het achterhoofd wat we eerder voor dergelijke formaten hebben neergelegd.
‘Neeneenee!’ Ze steekt tweemaal tien vlinders in de lucht. ‘Twintig.’
Dat is te veel naar m’n zin. ‘Ochi’, zeg ik beslist. ‘Nee.’ Ik bekrachtig dit met hoofdschudden en wil verder lopen. Maar dat gaat zomaar niet.

‘Ik wil hem wel!’ hoor ik Paul zeggen. ‘Ik vind het een mooie plant!’
Ja, dat is het ook natuurlijk, niks mis mee.
De vrouw voelt haar kansen groeien, ze probeert ons over te halen door er drie blakend uitziende kindjes bij te roepen, van baby tot een jaar of zes. ‘Kijk, mijn kinderen,’ zegt ze vals, terwijl de kinderen om onze benen lopen, de baby zowat onder mijn neus duwend. Intussen hou ik mijn tas goed tegen me aan geklemd. Zuchtend wappert de vrouw de kinderen terug de bus in als ze in de gaten heeft dat ze mij geenszins doen smelten.

Intussen heeft Paul zijn zinnen serieus op de hortensia gezet. Als hij hem wil kopen kan ik hem niet tegenhouden natuurlijk. Hij vist twee tientjes uit zijn zak. Maar de vrouw fronst en geeft hem er eentje weer terug. Ze wijst, er zit een scheurtje in en ze wil geen biljet met een scheurtje. Nou ja zeg. Verwijtend kijk ik haar aan.
Nee. Ze schudt haar hoofd, ze wil het niet hebben. ‘Ander biljet?’
‘Dan gaat het over.’ Paul spreidt zijn handen in de lucht. ‘Ik heb geen ander biljet meer. Sorry, het gaat niet door dan.’
Ik steek m’n hand uit om het andere tientje terug te krijgen ik zie haar nadenken. Ze staart naar het vijfje dat Paul nog wel heeft.
Ze neemt een besluit. Met tegenzin. ‘Goedgoed ,’ mompelt ze. ‘Vijftien dan. Naam maar mee voor vijftien.’ 
Het vijfje wisselt van eigenaar en wij lopen mét de hortensia verder.

We zijn al bij de auto als ik ze hoor. ‘Kyrie, kyria! Meneer, mevrouw!’
Ik kijk om en zie twee van de kinderen naar ons toe rennen, met een andere, iets kleinere plant in de armen geklemd. 
‘Mooie plant, tien euro!’Ze roepen door elkaar heen. ‘Kijk, mooie bloemen! Tien euro!’
Nu is het mijn beurt. ‘Neeneenee!’ roep ik en ik wuif ze weg.
Maar ze geven niet zomaar op en blijven door elkaar schreeuwen. ‘Tien euro, mooie plant kijk!’
‘Neeneenee!’ Nu is dat gescheurde tientje zeker wel ineens goed.
Ik gooi de achterklep dicht. We stappen in.
Maar ze staan, mét plant, in de deuropening en we moeten achteruit de parkeerplek af. Dat gaat niet lukken zonder ze te verpletteren.
Ze zijn al bijna binnen, in de auto. Ik hou mijn tas voortdurend vast, terwlijk ik voorzichtig het portier een beetje dicht trek. Langzaam rijdt Paul naar achteren, zachtjes duw ik de kinderen weg, mijn tas geen seconde loslatend.
‘Nee’! zeg ik nogmaals. 
Dan staat ineens hun vader erbij. Hij sust de kinderen, trekt ze bij ons weg en ik trek het portier snel dicht. Maar de man probeert het ook nog een keer. ‘Tien euro maar, mooie plant!’
Nééhéé, schudden we. Echt niet. We hebben al een plant. Inmiddels zijn we gedraaid en kunnen we wegrijden. De man moet het nu wel opgeven, wat hij met spijt doet. We mogen weg.

Ik ga nooit meer bij zo’n busje iets kopen. Maar gelukkig is er niks gejat. En we hebben een mooie plant.

(Visited 30 times)

One Comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.