Rust

Hoe weldadig is het om ergens te zijn waar je niets hoort. Helemaal niets. Waar absolute stilte heerst, op wat krekels na dan, die overigens ook flink tekeer kunnen gaan. Maar geen verkeer, geen A13 op de achtergrond, geen geloei uit geluidsapparatuur, helemaal niets. Mens, ik kom helemaal bij!
Genieten van deze rust, van het uitzicht over de zee en op de Berg Kerkis die steil oprijst uit de achtertuin. 1440 meter graniet.
Maar dan.

‘Oh, Poessiiieees! Ooooh, kijk nou….!’
Het zal toch niet waar zijn? Nederlanders. ‘Ooooh wat een schatjes!’ kakelt het meisje door, want het lijkt op het geluid van een meisje, een kind van een jaar of zes. Of nee, eigenlijk iets jonger. Drie? Misschien nog nooit een poes gezien, laat staan een poes met jonkies. ‘En kijk daar? Oooooh! Allemaal kleintjes ook!’ De stem gaat over in gepiep, maar daalt beslist niet in volume.
‘Ooooh kijk eens! Mooie tuin! Oooooh, en wat een grote mieren!!!’ Lieve help. Dit lijkt niet normaal meer. Wat ís dit?

‘Ach poessiiiieeeesssssss!’ kweelt zij, ‘Kom dan? Psssst, pssst …. Halloooooooo!!’
Het loeien houdt niet op. En dan zie ik haar. Paul en ik kijken elkaar aan.
We zien niet een driejarig kind, zelfs niet eentje dat iets ouder is. Nee. Er schuifelt een meisje tussen de struiken, rond de olijfboom waar het jonge kattengezin zich ophoudt. Nou, eigenlijk geen meisje, maar een jonge vrouw, ik schat haar zo halverwege de twintig.
‘Kijk nou!!! Poooooeeeeesssiiiiieeeees!’
‘Die is niet goed snik’, is mijn heldere conclusie.
‘Beetje simpel, denk ik,’ zegt Paul op hetzelfde moment, iets genuanceerder.
Poesssspoespoespoes!’ Ze duikt weer op het nestje. Die katjes moeten zich het apelazarus schrikken.
Een diepe zucht ontsnapt mij. Het was zo heerlijk rustig hier.

Later op de avond horen we iets rammelen. ‘Ah, ze voert ze chips,’ meldt Paul droog, zijn nek uitgestrekt, om het hoekje loerend. ‘Een paar bordjes, ze zet ze neer bij de boom. Ach nou ja, scheelt ons weer kattenvoer…’
Oooh wat een schatjes ! Kom maar poesjes halllooooooooo!’
Chips! Je gelooft het niet.

Ik slaap nog half als ik het weer hoor, de volgende ochtend.
‘Hallooooooo!!! Ha poesjes! Daar ben ik weer! Oooooooh! Ze. Kennen. Me. Al!!’ klinkt het hysterisch over het terrein. ‘Halloooo!!!! Poessies!!!!’
Het is niet waar. Ik móet dromen. Ik kijk op mijn telefoon en val gedesillusioneerd terug op mijn bed. Mijn hemel. Het is nog geen zeven uur in de ochtend.

Ze blijft twee weken, bleek later. Dág rust.

(Visited 29 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *