Asterix

Hee! 
Mijn vinger blijft hangen op de rug van twee smalle, hoge boeken. 
Staan ze híer? 
Waarom heb ik ze dan niet eerder gezien? Ik heb me suf gezocht naar deze twee boeken, een tijdje geleden. 
Zie je wel? Mijn gedachte is triomfantelijk. Ik wist het, ik heb ze nog. Ik had ze dan wel niet op deze plek verwacht, maar ja. Goed opgeruimd, zeker.  
Tevreden sla ik sla de informatie op in mijn hoofd. Hier kan ik mijn Eerstgeborene beslist blij mee maken. 

Het zal al wel een jaar geleden zijn dat hij naar deze boeken informeerde. ‘Die Asterix-kookboeken, heb je die nog staan ergens?’ 
Ach jee. Dat kookboek voor kinderen. Gelijk was ik vijftien jaar terug in de tijd, ik mijmerde wat voor me uit en zag mijn jongens weer staan, bij het aanrecht dat een slagveld leek, Lekker eten met Asterix opengeslagen, en de bakresultaten, die we met z’n allen opaten. 
‘Ja natuurlijk,’ zei ik, zeker van mijn zaak. ‘Die moeten nog ergens zijn!’
Alleen waren ze nergens te vinden. Ik haalde alle boekenkasten overhoop, maar nergens Asterix of Obelix. Ik snapte het niet. Waar stáán die dingen? Ik gooi best veel weg, maar zoiets niet, echt niet.
Ik moest ik mijn zoon teleurstellen. ‘Maar ze moeten echt érgens staan,’ hield ik vol. ‘Dat kan niet anders!’

En nu, totaal onverwacht, zijn ze daar ineens, voor mijn neus, in een boekenkast op zolder. Mijn vinger glijdt erlangs en hapert bij de twee dunne, hoge ruggetjes.
Nou ja zeg! Staan ze híer!
Ik denk er niet meer aan, tot een weekje later E even binnenwaait.
‘Trouwens, ik vroeg me af,’ zegt hij, net als een jaar geleden, ‘heb jij die Asterix-kookboeken nog?’
Ha!
‘Ja!’ roep ik direct. Ik weet dat nu zeker, natuurlijk. ‘Die heb ik. Ik heb ze laatst nog gezien. Wacht, ik pak ze even!’ Ik stuif de twee trappen naar de zolder op, recht naar de boekenkast, mijn hand al uitgestrekt om ze daaruit te vissen.
Alleen staan ze er niet. 
Hè? Hoe kan dat nou? Zo rustig mogelijk glijden mijn ogen nog een keer langs de rij boeken. Niets. Was het dan toch beneden? Of in mijn werkkamer?
Met een frons loop ik terug. ‘Ik snap het niet. Ik heb ze gezien, kort geleden nog. Ergens. Ze moeten er gewoon zijn!’  
Maar wáár dan, als ze niet op zolder staan? Mijn verbijstering groeit terwijl ik opnieuw alle kasten naloop, maar de twee boekjes blijven spoorloos.
‘Een blauwe en een rode,’ helpt E, met me mee speurend. ‘En zo hoog.’ Met zijn handen geeft hij het formaat aan. 
Weet ik, ik zie ze zó voor me. Ze zijn er, ergens. Ik zou ze trouwens ook nooit wegdoen. Waarom vind ik ze dan niet?
‘Maakt niet uit,’ bromt E, als hij weer vertrekt, ‘komt wel een keer…’

Het laat me niet los. In de dagen die volgen blijf ik zoeken, maar die verrekte boeken zijn gewoon van de aardbodem verdwenen. Inmiddels ben ik ernstig aan mezelf gaan twijfelen. Heb ik ze dan toch weggedaan? Nee, ik weet het zeker. Ze stonden ergens, ik zag het zelf! Soms word ik zo moe van mijn eigen warrige hoofd.

Heel langzaam, heel zachtjes sluipt een gedachte mijn hersens in. Ik wil er niet aan, maar een andere reden dat ik ze niet kan vinden weet ik niet.
Die boekjes – ik zag ze, mijn vinger gleed erlangs. Maar ze zijn er niet.
Misschien heb ik het gedroomd.

(Visited 17 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *