Kachel

De verwarming doet het niet. Hij is stuk. En het is vrijdagavond. 
Maar ach, zo koud is het nog niet, dus maandag maar even de woningcorporatie bellen?

Ze hebben en flitsende website, zie ik drie dagen later. Ik scrol en klik wat heen en weer, op zoek naar de klantenservice, die ik wel vind, maar wat raar, geen telefoonnummer. Ze wensen niet gebeld te worden.
Hoewel, ergens kom ik een spoednummer tegen. Zijn wij spoed? Dat zal wel niet. Er zijn vast dringender zaken dan een kapotte verwarming.
Dan toch maar een online opdrachtformulier invullen? Hopelijk laten ze dan snel iets horen. Maar zo koud is het nog niet, gelukkig.
Helaas laat hun reactie op zich wachten. We horen helemaal niets.

Inwendig loopt mijn temperatuur aardig op. Ik heb helemaal geen kachel nodig. Maar ik wil gewoon niet genegeerd worden. Hoezo zijn we eigenlijk geen spoedgeval? Ik vind van wel, eigenlijk. De kachel is kapot! Het is dan nog wel geen winter, maar inmiddels zijn we drie dagen verder en ’s avonds ga ik al best bibberen. 
‘Zijn we dan toch spoed?’ vraagt Paul bedachtzaam, ‘tja, misschien wel…’ 
‘Ze vangen elke maand dik huur!’ bries ik verontwaardigd. ’En straks zit je nog dagen in de kou hier!’

Het spoednummer dan maar, waar iemand inderdaad de telefoon opneemt. Maar dit was te gemakkelijk. 
’Nee, dat gaat niet!’ klinkt het opgewekt, ‘U hoort bij Den Haag en dat is een ander nummer hoor.’
Vol goede moed tikt Paul dat andere nummer in dat jammer genoeg de hele verdere dag in gesprek blijkt te zijn. Die keren dat de telefoon wèl overgaat, laat men hem lekker doorrinkelen. Geen contact. We horen helemaal niets.

Met rook uit mijn oren stuur ik ’s avonds een pinnige mail en ook vul ik nóg een reparatieaanvraag in, nu gericht aan de onderhoudsdienst. Het prompte antwoord maakt me heel even blij, maar dat verandert acuut. 
‘U kunt het spoednummer bellen!’ lees ik.
‘Daar heb je. Echt. Helemaal. Niks. Aan, aan dat zogenaamde spoednummer!’ mail ik onmiddellijk terug, pisnijdig inmiddels. ‘Het werkt niet! Mensen, laat wat hóren!!’ voeg ik er pislink aan toe. 
Maar we horen helemaal niets.

Dan belt Paul de volgende dag vroeg en het wonder geschiedt. Iemand neemt op, iemand die ons een loodgieter belooft en ja! die belt ook nog terug na een paar uur. Maar we zijn er nog niet.
’Nou, weet u,’ zegt de man, ‘Heeft u stadsverwarming? Dat doen wij niet. Zegt u dat maar tegen de woningbouw. Daar komen we niet voor.’ 
Wij? Moeten wij dat doorgeven?
‘Doet u dat zelf even?’ vraagt Paul eerst vriendelijk, later dringender. ‘Uw opdracht komt immers van de woningbouw?’ 
Maar de man is onvermurwbaar. Sputterend geeft Paul het op een brengt de woningbouw op de hoogte. 
‘Oh, dan sturen we Eneco wel naar u toe!’ jubelt de klantenservicejuffrouw, waarna wij opgelucht achterover leunen.
Maar het is te vroeg gejuicht. 

De telefoon gaat en daar is de juffrouw weer. ‘U mag zélf even Eneco bellen!’ Ze klinkt alsof ze ons de jackpot uitkeert. ‘Dat mag ik niet!’ 
‘Oooohwww!’ Nijdig pak ik de telefoon, om te horen dat de wachttijd een vijfentwintig minuten bedraagt, die ik knarsetandend uitzit tot ik te woord word gestaan door een onverschillig meisje dat zeverig oppert dat wij wellicht een lekkende kraan hebben en dat daardoor de verwarming zichzelf natuurlijk uitschakelt. Dat we dat nou niet snappen, is haar ondertoon.
‘Wat…?’ begin ik. Tuuttuuttuut…
Onmiddellijk bel ik weer. Maar ja: ‘De wachttijd bedraagt achtentwintig minuten. U wordt zo spoedig mogelijk….’ 
Grrmmmfmfff! Ik onderdruk de neiging om mijn telefoon weg te smijten. Ik doe dat zelfs niet als na 35 minuten wel opgenomen wordt, maar de verbinding ogenblikkelijk weer wegvalt. Al kan ik een paar krachttermen niet binnenhouden.
Maar, geduldig als ik ben, ik bel gewoon nog een keertje en moet zevenentwintig minuten wachten. En ja, driemaal blijkt scheepsrecht te zijn.

Doortastend begeleidt dit meisje me door de meterkast, tussen kastjes, leidingen en snoeren, tot ze de juiste informatie heeft en ik krijsende kramp in mijn been, waardoor ik het even uitgil en zij heel bezorgd onmiddellijk een monteur belooft. ‘Zal de leeftijd wel zijn’, kreun ik nog een beetje, waardoor haar schuldgevoel alleen nog maar groter wordt.
Maar ze doet haar uiterste best en als de volgende dag – ‘ik prop hem ertussen voor u!’ – de monteur verschijnt, weten we eindelijk wat er met de verarming aan de hand is. 

Hij is stuk. 
‘Hij heeft het gehad. Hij doet het niet meer,’ zegt de man opgewekt. Ja dat hadden we al gemerkt. 
‘Ik haal wel even een nieuwe!’ 

De verwarming doet het weer. Het heeft ons een weekje gekost.

(Visited 15 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *