Lek

Het gat in de weg kunnen we net op tijd vermijden, voor de zoveelste keer is een ruk aan het stuur nodig.
‘Gat’, constateert Paul. Ik hou me goed vast, hoewel dat totaal zinloos is. Ik zit in een auto, de weg loopt langs een berghelling en links van mij gaapt een ravijn. De weg is slecht, want hij is kapot. Om de haverklap zitten er gaten in, en scheuren of zijn er delen weggeslagen. Richting afgrond, ja.

‘Dat je hier nog mag rijden!’ piep ik benauwd, waarop Paul mij geruststellend toelacht. ‘Niks aan de hand hoor….’
Nou, niks? Op dit eiland zijn nogal wat aardbevingen geweest die aanzienlijke schade hebben veroorzaakt. We zagen het al overal. Gebouwen, wegen, muurtjes, delen zijn gewoon ingestort of gescheurd. De doorgaande weg naar het noorden is zelfs volledig afgesloten. Om in Assos te komen, moeten we daarom flink omrijden. Op zich is dat niet zo erg, we hebben vakantie, dus geen haast en we begeven ons door prachtige natuur in ons knalrode huurauto’tje.

Over deze bochtige weg dus, langs berghellingen die rechts steil omhoogrijzen, met behoorlijk wat keien, gaten en scheuren om omheen te slalommen. Dat lukt niet altijd helemaal, dus een enkele keer voel ik een hobbel als het auto’tje een steen onder het wiel krijgt.
‘Nog een klein stukje,’ zeg ik met de nodige opluchting, als ik ineens Assos in de verte beneden langs de kust zie verschijnen.
‘Ho!’ roept Paul op hetzelfde moment.
Ho? Ik kijk hem zijdelings aan.
‘Volgens mij heb ik een lekke band,’ zegt hij voorzichtig. We rijden nog even door een bocht.
‘Ja, volgens mij is-ie echt lek!’ herhaalt hij. ‘Hij trekt raar weg in de bocht…’ Bij de eerste verbreding langs weg stoppen we en hij stapt uit.
‘Ja hoor, lek. Plat!’ 

Nee hè. Ik zucht maar eens diep. Lekker, hier, in de hitte, in geen velden of wegen iets van bewoning  te zien, of nog beter, een tankstation of zo. Ja, Assos, een stuk verderop, daarginds.
‘Ik rij niet door met een lekke band hoor’, vervolgt Paul, nadat hij zijn inspectie afgerond heeft ‘Straks rij ik de hele velg aan flarden. Dat moeten we ook niet hebben.’
Ik bestudeer de hemel boven ons. Geen wolkje aan de lucht, de zon staat recht boven op ons hoofd. En geen schaduw te vinden hier natuurlijk, met aan de ene kant de afgrond omlaag naar de zee en aan de andere kant de helling recht omhoog.
Dus?
Met een scheve grijns haalt Paul zijn schouders op. ‘Kom maar op. Waar is de krik?’
Ik doe de achterklep open en daar ligt gelukkig een reservewiel. En ja hoor, daaronder nog allerlei gereedschap, en ook een krik.
‘We hebben een compleet uitgeruste auto!’ roep ik verbaasd. Ergens ben ik verrast en daarvoor schaam ik me gelijk ook een beetje.
Paul krikt de auto al op. Al snel staat het zweet op zijn voorhoofd. ‘Warm hier,’ zegt hij zuchtend, met enig geweld de bouten van het wiel losdraaiend.
‘Daarginds is het bier!’ mompelt hij, met een verlangende blik naar Assos, wat beneden ons zo aanlokkelijk ligt te wenken. Voorlopig moeten we genoegen nemen met wat slokjes water.
In een kalm, Grieks tempo verwisselt Paul de lekke band voor het nog smal-lere reservewiel.
‘Een zogeheten thuiskomertje’, verduidelijkt hij ‘Een dun noodbandje. Daar kun je net mee naar een garage rijden. Of naar huis…’
Hij veegt nog wat zweet van zijn voorhoofd. ‘Maar moet een andere op, hoor. We kunnen hier niet nog tien dagen op blijven rondrijden.’

Voorlopig rijden we er wel mee naar Assos, kuilen en vooral keien op de weg ontwijkend. Later bellen we het auto verhuurbedrijf wel. Want eerst moeten we even bijkomen, op een terrasje met koele miso kilo levko krassi. Ja, een half litertje koude witte wijn.
In de schaduw. 

(Visited 4 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *