Vuurtoren

VUURTOREN

Twee kilometer, zegt het gidsje. Een wandeling van twee kilometer naar de vuurtoren op de uiterste punt van de Mani, Kaap Tenari, het zuidelijkste puntje van het Griekse vasteland. De poort naar de onderwereld, zegt men. De grot van Hades zou hier te vinden zijn. Het gebied is woest, maar prachtig. Het pad naar Kaap Tenari is rotsachtig, smal, met keien, een beetje klimmen hier en daar. Maar goed te doen, zo te zien.
‘Leuk!’ roep ik. Wat is nou twee kilometer? We hebben goede wandelschoenen, dus hup. Ik heb het altijd leuk gevonden om over rotsen te klauteren of langs smalle paadjes te lopen. Liefst zo min mogelijk gladgebaand. Hoe onregelmatiger hoe leuker.

Het eerste stuk gaat goed, nog langs een goed bewaard gebleven mooie mozaïekvloer van een romeinse villa. Makkie. We weten dan niet wat er allemaal nog komt. Vrolijk lopen we door, niet heel erg snel, want mijn knieën protesteren toch wel elke keer dat ik een steen op of af moet springen. Een leeftijdsongemak dat ik het liefst negeer.
Het pad is rotsachtig en smal, dat klopt allemaal. Maar wat is het warm. Zelfs op dit tijdstip van de dag, de tweede helft van de middag is het gewoon heet te noemen. Schaduwplekjes zijn ver te zoeken. Dat stond er dan niet bij, in mijn gidsje.

Ons tempo vertraagt. Puffend sta ik steeds vaker voor elke kei stil om moed te verzamelen. Hup. Spring erop. En weer eraf. Verder.
‘We hadden van die handige stokken gekocht!’ roep ik naar Paul, die een stuk voor mij loopt. Grijnzend kijkt hij om.
‘Ja, waar zijn die eigenlijk?’
‘Thuis!’ gil ik gefrustreerd. ‘Elke vakantie vergeet ik wel íets mee te nemen!’
Intussen ben ik woedend op mijzelf. Hoe stom kan ik zijn. Mijn knieën knikken, maar niet door angst. Ik zak er bij elke stap omhoog of omlaag een beetje doorheen.
Hup. Stap erop. Loop verder. Hup, stap er weer af. Elke keer bereid ik mijn knieën voor. Ik zet me schrap. Hup. Ons waterflesje is inmiddels al schrikbarend leeg.
Toch ontgaat me de schoonheid van de omgeving mij niet. Als ik even stilsta – vaak – laat ik dat op me inwerken en heus, ondanks de ongemakken, ik geniet ervan.

‘Hoe ver is eigenlijk twee kilometer?’ vraag ik na verloop van tijd, nahijgend op een grote kei neergezegen. Het zweet gutst me op de rug. Ik zie die vuurtoren nog nergens. Hoe secuur meten de Grieken afstanden eigenlijk? Niet voor het eerst dat ik me dat afvraag.
‘Misschien na die heuvel, daar ’ zegt Paul optimistisch. ‘Gindse heuvel. Als we daar bovenop zijn, zien we hem misschien gelijk staan.’
Hup. Knie. Erop. Knie. Eraf. Ik wil mijn wandelstok! Hiervoor heb ik ze toch gekocht?
Regelmatig worden we ingehaald door fitte wandelaars, in hoog tempo voorbijsnellend. Maar allemaal van half onze leeftijd, bedenk ik er elke keer bij, om mezelf een beetje gerust te stellen.

Hoe groot is de opluchting als we inderdaad ineens de vuurtoren zien opdoemen. Maar tegelijkertijd zakt de moed me in de schoenen.
‘Pffff, zo’n eind nog?’ kreun ik. We zien het pad, kronkelend over de bergkam, in de verte verdwijnen. Er lijkt nog een soort dalletje te zijn tussen dat punt en de toren zelf.
Weer val ik neer op een steen. ‘Vanaf hier is hij ook leuk hoor, die toren!’ Hoopvol kijk ik Paul aan. ‘Wil je echt verder, of eh….?’
‘Kom!’ Hij klinkt heel resoluut. ‘Nog een klein stukje!’
Dat betwijfel ik, maar vooruit dan maar, ik sjok achter hem aan. Hup. Stap erop. Stap eraf. De zon ongenadig brandend boven ons. Had ik dat zelf nou echt niet kunnen bedenken? Griekenland: zon, temperatuur?

Het padje wordt lastiger te volgen. We lopen op de smalle bergkam, met aan een kant een ruige, stenige, helling naar beneden. Ik loop voorop, als mij langzaam het onprettige gevoel bekruipt dat we misschien toch een afslag gemist hebben. Op het moment dat ik me omdraai om Paul dit te zeggen, gebeurt het. Ik hoor ik hem vloeken, op hetzelfde moment zie ik in een flits dat hij struikelt. Voor ik het weet, rolt hij zo langs me heen, schuin de helling af, om een meter of tien verder tegen een steen tot stilstand te komen.
‘Au!’
Heel even sta ik verstard te kijken, dan vlieg ik naar hem toe. De krachttermen die ik hoor, stellen me wel gerust. Ik durf niet te kijken naar de rest van de helling die best steil naar beneden gaat en ergens diep beneden in de zee verdwijnt. Met een papieren zakdoekje dep ik het ergste bloed van een paar schaafwonden, op zijn been, arm en voorhoofd. ‘Jeetje!’ Meer kan ik niet uitbrengen.
Voorzichtig probeert Paul of alles nog kan bewegen. ‘Ik struikelde, over een plantje of zo. Ik bleef haken met mijn schoen,’ zegt hij. Ik help hem om overeind te komen. ‘Pff…’ zucht hij, een stukje wegstrompelend. ‘Niks gebroken, maar wel verstuikt, denk ik….’ Ik zie zijn pols dikker worden. Daar heeft hij zichzelf mee proberen op te vangen.
Ik raap zijn zonnebril op, die ergens tussen wat struikjes ligt. Wonder boven wonder is de filmcamera nog heel. Heel langzaam lopen we een stukje terug.
‘Ja, gaat wel, als ik eenmaal in beweging ben,’ zegt hij, als antwoord op mijn vraag. Ik zie dan ook het punt waar we inderdaad verkeerd gelopen zijn en opnieuw vraag ik het.
‘Wil je toch verder, of gaan we nu terug?’
‘Ben je mal? We zijn er nu bijna!’
Mistroostig kijk ik naar de vuurtoren, en schat ik dat het nog wel een minuut of twintig klauteren is.
‘Weet je het zeker? Vanaf hier is hij ook leuk hoor!’ probeer ik nog een keer. Ik meen het ook nog. Het uitzicht vanaf dit punt is al een sprookje. Maar halen we het eindpunt? En weer terug?
‘Kom, we gaan erheen. Het laatste stukje!’

Het waterflesje is allang leeg als we weer terugkeren op het terras van de taverna bij de parkeerplaats. Drie uur hebben wij erover gedaan. Maar we hebben het gehaald!

Op ons tandvlees zakken we eindelijk in een stoel, het ijskoude bier sist zijn weg naar binnen. Terwijl ik Pauls schaafwonden bestudeer, zie ik iemand naar naar ons toe komen lopen. Hoofdschuddend. ’Tuttuttuttuttut,’ klinkt het uit zijn mond. ‘Over there?’ Bezorgd wijst hij naar de landpunt waar de vuurtoren zich bevindt. Het is de kok van de taverna, zie ik, terwijl ik knik. ‘Ja… Gevallen. Gestruikeld,’ verklaar ik.
‘Tuttuttutt…’ herhaalt hij als hij een grote verbanddoos van achter zijn rug tevoorschijn tovert en die op het tafeltje openklapt. Hij werpt een blik op onze schoenen, maar knikt dan goedkeurend. Aan de schoenen ligt het niet, nee. ‘Goede schoenen. Goede zolen!’ zegt hij, ‘Heeft niet iedereen!’
Klopt. Als je ziet op welk schoeisel sommige mensen aan zo’n wandeling beginnen…
‘Kom, sir. Ik zal het ontsmetten.’ Terwijl de goede man uiterste zorgzaam met flink wat jodium en pleisters aan het werk gaat, (kok? Dit is een geboren verpleger!) babbelen we wat en hij vertelt dat hij uit Egypte komt.
‘Ik heb hier werk,’ zegt hij op tevreden toon, ‘maar mijn familie woont in Caïro….’
Ik word altijd een beetje treurig van zoiets, maar hij lijkt er zelf niet mee te zitten.
‘Slecht pad,’ vervolgt hij, nogmaals wijzend naar de vuurtoren. ‘Gevaarlijk. Mensen struikelen veel, glijden uit….’

We weten niet hoe we deze lieve Egyptische kok moeten bedanken. Voor de zoveelste keer ben ik ervan onder de indruk hoe normaal de mensen het hier vinden om volslagen vreemden te helpen.
‘Parakalo!’ zegt hij vriendelijk. ‘Graag gedaan! Hier, neem mee’. Hij duwt een stapeltje pleisters in mijn handen. ‘Om vanavond nog een keer te verschonen…’

Twee kilometer heen, twee kilometer terug. Jaja. Ik geloof er niks van. Minstens het dubbele.
Zou best handig geweest zijn, die stokken.

(Visited 3 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *