Zuur

Van verre zijn ze al indrukwekkend. Ze vallen ook niet zo’n beetje op, in het tamelijk vlakke landschap waar we doorheen rijden. De ‘zuilen van de hemel’. Bijkans ontoegankelijke, honderden meters loodrecht omhoogrijzende zandstenen rotsen. Zuilen, inderdaad. De Meteroa-kloosters.

We volgen het gladgeplaveide wandelpad, zigzaggend omhoog. Makkie. Of: ’Tuinpad!’ zoals Paul dan zegt.
Maar daar blijft het niet bij. Aan de voet van de steile wand stopt het pad en daar begint de trap, uitgehouwen in de rots. Hij voert ons met 140 treden, cirkelend rond de rotspilaar, omhoog, tot de top, waar de toegang tot het klooster is. Pas daar aangekomen, hijgend en zwetend, zie ik hoe hoog het is en hoe steil. Heel diep onder mij zie ik het stipje dat onze auto is.
‘Lieve help!’ Ik deins een stapje terug, bots daarbij tegen een enorme houten klos met daaromheen gewonden dik touw. Mijn ogen volgen het touw dat iets verder naar binnen over een katrol blijkt de te lopen. En ja, aan het andere uit-einde, buiten boord om het zo maar te noemen, is een grote haak bevestigd. Een haak waaraan een netwerk hangt, of een mand.
‘Zo kwamen ze boven, vroeger,’ grijnst Paul, wijzend naar de katrol met het touw. ‘Die trap was er niet hoor!’
Mijn verbeelding gaat met me op de loop. Alles in het net aan de takel. Goe-deren, bouwmaterialen. Mensen…
‘Lieve help’, zeg ik nog een keer. ‘Daar moet ik toch niet aan denken!’
Omhoog gehesen worden in zo’n mandje, zwengelend in de lucht, een paar honderd meter steil omhoog? Of klimmen, via touwladdertjes….. ‘Brrrr!’
Maar ja, de monniken hier wilden rust. De nonnen ook. Volgens mij was dat precies wat ze hier kregen.

Ondanks alles ontgaat me de schoonheid van de omgeving me niet. Het is indrukwekkend. Hoe bouw je iets op zo’n plek? Het kost al jaren om alle materialen boven te krijgen! Ik probeer de andere toeristen weg te denken en stel me de stilte voor, zo hoog, in de wolken, ja, in de hemel bijna. Dat moet fantastisch zijn geweest. Voor kloosterlingen dan. Hoewel ik de rust en de stilte wel zie zitten.

De non die ons bij de dikke, zware deur toegangskaartjes verkoopt, bekijkt me met een zuinige blik. Ik ben heel decent gekleed, vind ik, dus ik begrijp niet wat ze wil. Ik loop gewoon door. Zuurpruim, denk ik. Misschien word je dat hier, tussen allerlei andere zure vrouwen, zuur. Hierover doormijmerend loop ik bijna tegen een kast waarin plotseling tientallen schedels me toegrijnzen.
‘Jezus,’ mompel ik, ‘Worden alle zuurpruimen ook nog eeuwig bewaard hier?’ Ik vraag me echt af of de kloosterlingen die hier nog wonen het contact met de realiteit niet compleet verloren zijn. Zoveel afzondering kan toch niet goed zijn? Al bestaat extreme afzondering zoals in de Middeleeuwen niet meer, natuurlijk.

Net als ik naar buiten loop, een binnentuin in, hoor ik Paul. Gealarmeerd kijk ik op. Paul verheft zelden zijn stem, maar nu roept hij toch echt iets. ‘Ho!! Nee! M’n hoedje!’
Ik kijk in de richting van het geluid en daar staat hij, op een smal bruggetje. Snel ga ik erheen, maar eenmaal bij het bruggetje aangekomen, deins ik di-rect terug.
‘Jezus!’ roep ik, harder dan daarnet. De zuurpruim bij de deur in de verte (!) kijkt op. Paul staat daar nou wel op dat enge bruggetje, maar voor geen goud ga ik dat óók doen. Het wiebelt namelijk. Maar dat is niet eens het ergste. Het hangt tussen twee ravijnen! Ik ga niet tussen twee ravijnen hangen! Dit is ijzingwekkend.
‘Kom je eraf?’ vraag ik Paul benauwd. ’Voordat je naar beneden stort?’ Ik vind zijn veiligheid nu even belangrijker dan de reden van zijn geroep. Hij niet. ’M’n hoedje!’ zegt hij nogmaals. ‘Daar ging hij….’ Met een sip gezicht wijst hij het ravijn in.
Ondanks alles ontsnapt mij een giecheltje. ‘Nee hè? Weggewaaid?’
Hij knikt. ‘Eén windvlaagje hier, en hop…! Dag hoedje…!’
Ik probeer niet te hard te lachen. We kennen het, het gebeurt vaker. De Griekse wind heeft aantrekkingskracht op hoedjes. Op Hollandse hoedjes. Op Pauls hoedjes…
Maar dan ben ik weer bij de les. ‘Kom je eraf?’ herhaal mijn vraag, zenuwachtig, ‘van dat levensgevaarlijke, doodenge bruggetje? Straks stort hij in. Kom…’
De non werpt een zuinige blik op Paul als wij langs haar heen het klooster verlaten. Nou zeg, denk ik, een man blootshoofds kan toch zo erg niet zijn? Dat ze míj nou negeert, na mijn oneerbiedige uitlatingen, kan ik me dan nog wel voorstellen. Ik bekijk haar ook zo zuinig als ik kan.

Arm hoedje in het ravijn, tussen twee Meteora-kloosters in. Er zijn slechtere plekken te bedenken, maar toch. ’Dag hoedje!’ zwaaien we, eenmaal in de auto er ongeveer langsrijdend.
Weer een hoedje weg. Misschien komen de zuurpruimen het nog een keer tegen. Deze mystieke, indrukwekkende plek verdient lievere nonnen, vind ik.

(Visited 5 times)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *