Als we nou eens naar Manolates wandelen? Door de Nachtegalenvallei?’ Ik laat de route in ons boekje aan Paul zien.
‘Ja, goed! Laten we het nog eens proberen,’ zegt hij, mij guitig aankijkend.
Ik steek mijn tong uit. ‘Je weet nooit. Nieuwe kans…’
Jee wat een leuke kinderen heb ik! Vind ik en ik voel me trots.
Ik ben in de oude foto’s gedoken, want kreeg het geweldige idee om een mooi overzicht maken van mijn twee jongens, op leeftijd gesorteerd.
Wat ik allemaal tegenkom – geweldig.
Paniek schiet door me heen. Waar is hij?
Ik steek mijn hand uit om mijn cello van de muur te pakken maar ik grijp in een lege plek.
Hoe kan dat? Ik knipper met mijn ogen en kijk nog een keer, om te constateren dat de plek nog steeds leeg is.
Weg!
Ik vlucht, ik ren en ren….. Waarom kom ik nauwelijks vooruit? Weg moet ik, weg, hij zit me op de hielen!
Door smalle straatjes probeer ik te rennen voor mijn leven, maar ik lijk wel vastgeplakt aan de grond. Maar gelukkig, ik ben er.
Ik versuf en ik slaap en kom mijn tijd wel door. Ik functioneer best, men merkt niets aan mij.
Mijn twee instrumenten? Aan de muur hangen ze, ik zie ze dagelijks. Een laagje stof bedekt ze, niemand raakt ze aan.
Af en toe hoor ik ergens ver weg een fluisterende stem, maar die negeer ik.
Ooit maakte ik er actief deel van uit, ik betekende daar zelfs wel wat. En dat was heel normaal, gewoon mijn leven.
De wereld van de muziek.
Toch verliet ik die wereld en dat leven vrijwillig, hoewel in mijn ogen noodgedwongen , onmiddellijk, na een snel genomen, resoluut beslui