Neenee. Nu.

Als we hout nodig hebben, gaan we naar de houthandel, een familiebedrijf, al eeuwen gevestigd op de weg naar Argos. We kennen Natása inmiddels, de eigenares, ze heeft ons al vaker van prima latten, planken en platen voorzien.

Paul gaat een tuinschuur maken, een αποθήκη.

Paal

Het gaat altijd volkomen geruisloos. Het vloeit. De pc smelt naar zwart, lampen flakkeren uit. Je hoort helemaal níets als de stroom uitvalt. Geen zucht, geen laatste adem, geen klik. Het valt ook niet uit. Het stopt gewoon en je verwacht het nooit.

Het gebeurt nu weer. En niet een korte onderbreking van een halve seconde, zoals we dat regelmatig hebben. Nee, dit is serieus.

Waar is het misgegaan?

Op oude foto’s is zij onherkenbaar. Zo ken ik haar niet, zo heb ik haar nooit gekend. Daar zie ik mijn moeder als een jonge vrouw, vrolijk, koket, uitdagend, zelfs met een beetje make-up. Iemand die de wereld aan kon.
Hoe anders is dat op de foto’s uit mijn jeugd. Waar is het misgegaan?

Stom

‘Dag!’ roept ze, voor ze wegloopt. Maar het moet niet meer dan gefluister geweest zijn, want niemand reageert. Het gekakel van de vier andere dames van het sportgroepje gaat ononderbroken door. Ze horen haar niet.
De herinnering herleeft, maar veel onaangenamer is de herbeleving van het gevoel dat daarbij hoort.

International

‘Kijk eens, mam.’
S, jongste, schuift mij zijn mobiel onder de neus als ik zijn woonkamer binnenloop. Ik kan natuurlijk niets ontwarren van waar ik naar moet kijken, met al die flitsende voetbalafbeeldingen en tekstberichten.
‘Kijk, dat.’ wijst hij. ‘Wat moet ik hiermee?’

Iemand

‘En ik ga een weekendje naar Maastricht. Met iemand’.
Ietwat besmuikt kijkt hij me aan, om zijn mond dwarrelt een raadselachtig lachje.
‘Ah,’ grijns ik. ‘Iemand. Juist!’ Meer zal mijn oudste niet vertellen, nu. Ik vraag ook niks, nu. Het zal voorlopig blijven bij deze cryptische mededeling. ‘Iemand’.